logo bram krol kleur.jpg

Wat is Gemeentegroei?

Gemeentegroei is de wetenschap die de uitvoerende kant van kerk en geloof bestudeert. In de theologische opleiding heet het gewoonlijk Praktische Theologie. Gemeentegroei onderscheidt zich van de Nederlandse academische P.T. door haar evangelische uitgangspunten en missionaire gerichtheid. Bovendien is ze er sterk op uit haar vondsten praktisch toepasbaar te maken voor de werkers op het grondvlak.

De door ds. Bram Krol ontwikkelde systematiek wordt het meest uitgebreid beschreven in Gemeentegroei compleet, waarvan ook een Franse, Engelse en Nepalese vertaling bestaan, en een Spaanse samenvatting. Hij brengt in beeld welke factoren de vitaliteit van de gemeente bevorderen. Als eerste systematiseerde hij ook de ziektekenmerken. Het geheel plaatst hij in de bredere context van de omgevingsfactoren. Het eindresultaat is uniek in de wereld. Hij slaagde erin zich consequent te houden aan categorieën (werkgebieden), niet vermengd met werkvormen of activiteiten. Dat komt de bruikbaarheid van zijn model ten goede. Op dat punt levert Krol dan ook kritiek op de bekende andere indelingen.

Heel interessant is dat docenten aan theologische instellingen met veel instemming werken met het “groeitrapezium’, om bovenvermelde reden. Zo wordt er bijvoorbeeld in Peru, Engeland, België, Duitsland, Ivoorkust, Ghana, Congo en Nepal les gegeven aan diverse theologische opleidingen naar dit model.

Voor wie zich als geestelijk leider in kerk en zending verder wil ontwikkelen, is het denken van Gemeentegroei waardevol. Het is niet een werkmodel – ook waardevol, maar erg tijdgebonden. Het ligt op een hoger (abstractie-)niveau: het is een manier van denken, die degene die het beheerst in staat stelt de processen in geestelijke arbeid te doorzien, en ook nieuwe modellen te toetsen op bruikbaarheid.

Wat is er bijzonder aan ‘Gemeentegroei compleet’

een beschouwing over het Groeitrapezium ontwikkeld door Bram Krol

Het Groeitrapezium, met de acht gezondheidskenmerken voor gemeenten, is uniek in haar soort. Ze onderscheidt beter dan vergelijkbare lijsten voortgekomen uit de Gemeentegroeibeweging (de bekendste komen van de hand van C.Peter Wagner, die op zijn beurt Christian Schwarz bezielde) de verschillende categorieën. Dat is de reden waarom velen in het theologische onderwijs in de wereld dit schema hanteren. Het wordt gebruikt bij theologische instellingen in Londen, Lima, Kathmandu, Kinshasa en andere plaatsen in de Dem. Rep. Congo, Brussel, Kampen, Ghana en Ivoorkust, juist om die reden.

Categorieën moeten om technische en systematische redenen óf specifiek óf algemeen van aard zijn. Die onderscheiding maakt Wagner in het geheel niet, en Schwarz maar ten dele. Hij mengt specifiek en algemeen door elkaar. Daarmee is hetgeen Wagner en Schwarz zeggen niet onjuist, maar minder sterk onderscheidend, en minder robuust voor verder onderzoek.

Er is een boekje verschenen van de hand van ds. Leo van Eijk (PKN, Heerjansdam) met als titel Groeikansen, dat voor een groot deel opGemeentegroei compleet is gebaseerd. Het is uitgegeven door het Evangelisch Werkverband, met een voorwoord van ds. Hans Eschbach.

Op het systeem van Gemeentegroei compleet zijn de gemeentegroeibrochures Gemeente-zelf-diagnose, Gids voor onderzoek in de gemeente en Gemeentegroei gebouwd. De inzichten van kerkhistorici over de redenen voor de groei van de vroege gemeente worden in Jesus Multinational vergeleken met de acht gezondheidskenmerken van gemeenten, die meer een sociologische dan een theologische achtergrond ademen. Maar toch is er heel wat overeenstemming.

Gemeentegroei compleet is – net als alle materialen van de Werkgroep Gemeentegroei – gericht op het bijbrengen van inzichten en vaardigheden die waardevol zijn voor goed leiderschap in de kerk en christelijk werk.

 

Leider: ken Gemeentegroei !

Gemeentegroei is belangrijk. Het gaat om een overzicht over het totaal aan activiteiten van de gemeente vanuit het oogpunt van effectiviteit. De ‘groeikenmerken’ zijn te destilleren uit de Bijbel (zie vervolg). Gemeentegroei zoals hier aangeboden is een vrucht van bijbelstudie, geordend vanuit een sociologisch perspectief. Dat is de reden waarom kerken en gemeenten in missionaire situaties (bijna zonder uitzondering behoudende, evangelische gemeenschappen) zich vertrouwd voelen met deze aanpak. Vanuit algemeen aanvaarde principes leren ze effectiever te werken.

Laten we het terrein van Gemeentegroei/gemeenteopbouw eens verkennen.

 

I.                   De methode Schwarz, ‘natuurlijke gemeenteontwikkeling’

Schwarz laat goed de samenhang zien tussen de verschillende factoren die bijdragen aan de gezondheid van de gemeente. Zonder er erg diep op in te gaan, geef ik kort aan welke verschillen zich voordoen.

a/ De eerste vondst van Gemeentegroei mag wel genoemd worden de observatie dat behoudende kerken meer mensen aantrekken en hun leden beter vasthouden dan liberale kerken. Dit blijkt al snel uit de kerkelijke leden-statistieken, voor ieder die dit punt zou willen aanvechten. McGavran en later C. Peter Wagner wezen op de ‘heldere leer’, die nodig is om een boodschap over te brengen en de gemeente sterk te maken. Ik heb dat aangegeven met: ‘Praktikale theologie’. Bij Schwarz wordt dat punt teruggevonden onder “eine leidenschaftliche Spiritualität”. Maar daarmee heeft hij een (min of meer) objectief kenmerk vervangen door een subjectief kenmerk. Dat is moeilijker meetbaar en moeilijk te definiëren. Daarmee zit Schwarz technisch gezien op een verkeerde weg. De reden van het ontstaan van deze andere formulering was een ‘missionair excuus’. Men wilde met Gemeentegroei binnenkomen in de middengroepen in de Duitse Volkskirche, en die waren wars van de orthodoxie, die zich vooral in de zgn. (‘bijbelgetrouwe’) Gemeinschaften manifesteert. De subjectieve en vage omschrijving viel een stuk gunstiger. Maar de waarheid wordt niet gediend met kerkpolitiek. 

b/ Je moet óf algemene óf specifieke categorieën onderscheiden. Bij het spreken over ‘Groeizame gemeentekringen’ haalt Schwarz temidden van algemene kenmerken een specifiek kenmerk, een werkvorm binnen. Dat verzwakt zijn methodiek. Het algemene kenmerk: ‘onderricht’ is vervangen door slechts één specifieke vorm. Ook al dragen kleine groepen vaak bij aan de kracht van de gemeente, toch is het terrein van het ‘onderricht’ veel groter en veelvormiger. Bovendien, veel kleinere, overzichtelijke gemeenten (en gemeenten in een statische omgeving) hebben op zich geen behoefte aan kringen, en groeien uitstekend zonder deze werkvorm.

c/ In de aanwijzingen van Schwarz voor wie zijn diagnose doorvoeren, heeft hij de situatie van de Duitse protestanten in het oog, gemeenten met een enorme niet-meelevende rand, zonder tucht en zonder vaste leer. Juist bij praktische adviezen komt dit nogal eens storend om de hoek kijken. (Je kunt geen praktische adviezen geven, zonder de feitelijke situatie te kennen...) Sommige adviezen zijn in kerken met heel andere culturen (hartje Afrika) of een geheel andere theologische opstelling (charismatische gemeenten, Vergadering van Gelovigen, Leger des Heils) nauwelijks zinvol.

d/ Nog een methodologische opmerking. De manier van werven van gemeenteleden voor het invullen van vragenlijsten voor de diagnose, is tamelijk willekeurig, en zal er gewoonlijk toe leiden dat degenen die het dichtst bij de kern van de gemeente staan alle andere geluiden overstemmen. Vooral bij conflicten of sterk uiteenlopende meningen is dit meetinstrument dan ook onbetrouwbaar. (Dit probleem wordt met de Groeibrochure “Gemeente-zelf-diagnose” ondervangen.)

e/ Een ander probleem met de methode Schwarz is, dat de bijbelse onderbouwing bijna geen rol speelt. Het lijkt erop dat Schwarz meende een soort seculier superevangelie te introduceren, gezien zijn spreken over ‘Wachstumsautomatismen’. Zijn methode zou als het ware kunnen bereiken, wat het ‘oude’ evangelie niet kon: de massale bekering van de maatschappij en een grote geestelijke herleving in een geseculariseerde Westerse wereld. Daar was geen theologische bekering voor nodig, van een vage volkstheologie naar een bijbelse leer. Het enige wat nodig was: de keuze voor de juiste methoden...

 

II.                Navolging van succesvolle modellen

Er zijn enkele opvallende groeimodellen van gemeenten (waarvan sommige inmiddels niet of nauwelijks meer groeien...) die in Nederland op grote schaal worden nagevolgd. De bekendste zijn: a/ de Willow Creek Community Church (de kerk die zich openminded afstemt op de vragen en behoeften van haar bezoekers) en de Saddleback Baptist Church (purpose driven church), die ik wil samenvatten onder: kwaliteitsmodellen. b/ De G-12 methode (kleine groepen voor bijbelstudie en gebed, die als evangelisatiekernen steeds doorgroeien en zich opslitsen, een model uit Colombia), die ik een mechanisch model noem en c/ de theologie van David Prince in Singapore, een dogmatisch model van een begenadigd spreker.

Kort enkele opmerkingen over deze vormen. (Maar er zijn er veel meer, zoals gemeenten die (nog steeds) David Cho uit Seoul in Korea navolgen, die de instructies van Watchman Nee, de Chinees als leidraad hebben en andere.) 

Een model is een ‘vertaling’ van geestelijke principes in de praktijk van een bepaalde plaats en groep mensen. Daar spelen culturele aspecten een grote rol bij, bijvoorbeeld hoe open staat de omgeving voor kerk en geloof, is er vrijheid of verdrukking, is de kerk een kleine minderheid of een belangrijke speler in de maatschappij, gaat het om een stads- of een dorpsgemeente? De ‘vertaling’ van A werkt in B helemaal niet. Omdat we in de Westerse cultuur tamelijk sterk naar elkaar zijn toegegroeid, herkennen we veel in allerlei modellen. Maar toch lopen we tegen zaken op, die je niet zomaar kunt overzeten naar een andere cultuur. (Dat bleek destijds heel sterk bij mensen die de methode Cho op Nederland probeerden te enten. Maar het verschil tussen een Confucianistische maatschappij als Korea en het zwaar geïndividualiseerde Westen bleek té groot.)

a/ De kwaliteitsmodellen. Er is veel verwantschap tussen Willow Creek en Saddleback. Het gaat om baptistische, onafhankelijke mammoetgemeenten met een behoudende evangelische theologie. Ze richten zich op de kwaliteit van hun werk, het bereiken van buitenstaanders en een missionair gerichte vorming van hun leden. Maar zodra je allerlei adviezen wilt overnemen, bots je op tegen de verschilen tussen eigen land, cultuur en kerk en die van het model. Dat is een logische zaak. Nu zijn deze modellen bijzonder praktisch en evenwichtig. Ze verheffen zich niet boven alle kritiek, integendeel. Maar alleen degene die erin slaagt een goede vertaalslag naar de eigen situatie te maken, zal er veel profijt van kunnen hebben. De mechanische navolger komt in de problemen. Je kunt namelijk niet de visie en het beleid van een ander punt voor punt overnemen.

b/ G-12 doet het een tijdlang goed in een receptieve omgeving. De groei gaat in minder ontvankelijke landen zoveel langzamer, dat het ideaal van G-12 wel tot frustratie moet leiden. Het enthousiasme waarmee het Colombiaanse model werd binnengehaald is al behoorlijk ingezakt. Een ander probleem is dat een model, vooral op één factor gebouwd (missionaire kleine groepen), eenzijdig is en onevenwichtig; in dit geval ook: mechanisch.

c/  David Prince en zijn prediking van de vrije genade. Een charismatische baptistische voorganger in Singapore, die de vrije genade bijna libertijns uitlegt en sterk beïnvloed is door de Amerikaanse Rhèmabeweging, waarvan je je mag afvragen of deze nog Christelijk te noemen is of al over het randje de afgrond ingetuimeld is. (Zie mijn boek: “Aangetrokken tot het wonderlijke”.) Natuurlijk heeft Prince een aantal punten van gelijk. Maar er zit ook veel humbug bij zijn schriftuitleg, zijn uit het lood getrokken opvatting van de genade en zijn aanschuren tegen de Rhèmabeweging (“Name it and claim it” als het wezen van het geloof.) Ik ken geen uitgesproken groeiers onder de gemeenten waar hij aanhang vindt in Nederland. Wel merk ik de neiging om in onvrede te geraken met de eigen kerkengroep en theologie.

De grote vraag is: is een geestelijk leider in staat de bijbelse principes voor gezond gemeentezijn goed te onderscheiden? In het Nieuwe Testament zien we dat de apostelen enorm veel aandacht gaven aan het doorgeven en handhaven van de leer. Wij leven in een klimaat van geestelijke verwarring, die bijna overal om zich heen grijpt, en dat is een killer voor de gemeente die wil groeien, ongeacht de methodiek die ze gebruikt. Niet de methodiek, maar het inzicht vormt een goede leider. Niet de methode, maar het Woord brengt groei. Wie een methodiek navolgt is een uitvoerder, maar wie principes kan onderscheiden en toepassen, is een echte leider.

Gemeentegroei is ruimer van optiek dan gemeenteopbouw. Het laatste heeft het welzijn van de gemeente op het oog, maar Gemeentegroei gaat een stap verder; ze bekijkt methoden en activiteiten vanuit het perspectief van het Koninkrijk van God. Gemeentegroei is dan ook begonnen als een school in de missiologie, en toont daar nog altijd de trekken van. Er is een wereld te winnen, niet ‘slechts’ een dorp of stad.

III.             Bijbelse legitimatie

Het bleef jarenlang een probleem. Is Gemeentegroei nu bijbels, of slechts een sociologische methode, die de kerk wel eens door haar wereldse gezindheid zou kunnen bedreigen? Dat laatste werd door tegenstanders ingebracht, die vaak hun eigen stagnerende orthodoxie wettisch in stand hielden, en de pragmatische aanpak van Gemeentegroei vreesden. “Iets is niet waar omdat het werkt, maar omdat God het ons zegt.” Inderdaad! Waar bleef de bijbelse legitimatie?

De missioloog uit Dallas (USA), dr. George Peters was hier enorm mee bezig. In de jaren ’80 stelde hij, dat niemand erin was geslaagd een goede, alomvattende bijbelse legitimatie te geven van de methoden en inzichten van Gemeentegroei, zei hij tijdens gastcolleges aan de Theologische Faculteit van Heverlee (Leuven). Hij was toen nog niet verder gekomen dan het maken van een algemene schets van hoe die bijbelse verantwoording eruit moest zien.

Voortbordurend op zijn inzichten heb ik een aantal antwoorden gevonden (gepubliceerd in “Jesus Multinational”). Daarin blijkt de samenhang tussen de factoren die tot groei van de vroege kerk hebben geleid, zoals kerkhistorici die onder woorden brengen, en de groeifactoren die gehanteerd worden in de Gemeentegroeibeweging. Het is verrassend de Bijbel te lezen vanuit beleidsoogpunt!

Kennis van deze materie (namelijk: de Bijbel over de uitvoerende kant van het kerkzijn, oftewel de praktische theologie/Gemeentegroei) is een hulp voor geestelijke leiders, die er niet op uit zijn geestelijke kopstukken van elders na te volgen, maar die met het Evangelie in de hand hun eigen beleid doordenken en opzetten.

Gemeentegroei is blijvend actueel en een hulpmiddel voor werkers in kerk en zending.

Bram Krol