Een nieuwe kijk op de ontdekking van Amerika

            spectaculaire vondsten veranderen onze kijk op de geschiedenis

 

Heeft Columbus Amerika ontdekt? Ja, maar hij was niet de eerste. De Vikingen dan? Ja, maar ook zij waren niet de eersten. De eersten waren mogelijk de Aziaten, uit wie de indianen zijn voortgekomen. Maar ook daarna zijn er vele golven van ‘ontdekkers’ geweest. En dat was mij niet bekend. Ik neem aan u ook niet.

 

Het klinkt fantastisch. Maar in de tijd van David en Salomo vond je Hebreeën in Noord-Amerika, en niet zo weinig ook. Naast hen vond je ook anderen: Feniciërs, Egyptenaren, Kelten e.a. Voor hen waren de Sumeriërs er, na hen kwamen de Carthagers, en toen de Romeinen. De geschiedenisleraar op school neemt klas na klas in de maling met zijn verhalen over Columbus als nummer één, of voor de meer verlichte geesten onder hen de Vikingen als ontdekkers van Amerika. Je kunt het de arme zielen niet kwalijk nemen. Ook hen werd de waarheid onthouden.

 

Inleiding

Het is de vraag waar je het eerst Christenen vond, in de Lage Landen of in Amerika. Een Noord-Amerikaanse inscriptie uit de eerste of tweede eeuw wijst op een Christelijke presentie, vele eeuwen voordat de Vikingen daar kwamen. Gebeiteld in steen, dat wil zeggen de beste archeologische bewijzen die je je kunt indenken.

 

Ik hoop je aandacht te hebben gevangen. Dit past geheel in mijn these die ik in ‘Jesus Multinational’ ontwikkel (naast andere zaken), dat zowel het Jodendom als de Christelijke kerk in de eerste eeuw groter en wijder verspreid waren dan tot hiertoe aangenomen.

 

Hoe ik achter deze zaken ben gekomen? Door een heel dik boek, maar bijzonder slecht geschreven. Ik heb er tal van kritische aanmerkingen op, maar het opende mijn ogen voor een aantal dingen die ik niet wist. Ik viel zelfs van mijn stoel van verbazing. En toen ik wat achterdochtig het een en ander op internet opzocht, steeg mijn verbazing nog verder.

 

In dit artikel behandel ik een aantal punten uit “Onbekend Israël”, geschreven door Steven M. Collins, in het Nederlands verschenen in 2012 bij Vlichthus te Oss, als vertaling van een boek uit 1995 verschenen in de USA. Ik geef alleen datgene door wat ik als niet te betwisten of zeer waarschijnlijk beschouw. De rest van de theorieën van Collins laat ik buiten beschouwing. Wat redelijk vast lijkt te staan is al verbazingwekkend genoeg. Hier en daar voeg ik een opmerking van eigen hand toe; dit is geen boekbespreking, maar eerder een beschouwing naar aanleiding van het boek van Collins. En dan behandel ik alleen maar de eerste helft. Hij geeft namelijk erg veel nieuwe informatie in zijn boek van 480 pagina’s.

 

Sumeriërs

De eersten die zich vestigden (na de indianen) in Noord-Amerika waren Sumeriërs, getuige twee met spijkerschrift beschreven tabletten gevonden in Georgia en Montana. Ze geven de namen van een koning en een priesteres uit Sumerië (Zuid-Mesopotamië), waardoor het mogelijk is de tabletten te dateren op 2040 – 2042 voor Christus. Dat is op het einde van de Vroege Sumerische Dynastieën.  (De tijd van Abraham.)

 

Skandinavië

Collins haalt de eneritus wetenschapper Barry Fell aan van de Harvard University, die in “Bronze Age America” documenten vertaalt van Skandinavische koningen, die koper kochten in Canada, reeds voor 1700 v.C. En die koperrijkdom van Amerika bleef een rol spelen in later tijd. Dat blijkt uit inscripties in twee nu al lang verloren gegane vormen van alfabet, het Tifinagh en het Ogham. In die vormen van alfabet zijn Oud-Noorse inscripties gevonden in Amerika. Het Tifinagh werd in oeroude tijden gebruikt voor Noord-Afrikaanse Berbertalen; het Ogham is een soort streepjesschrift, gebruikt voor oud-Iers, Keltische talen en oud-Noors.

 

Midden-Oosten

Wat mij in het bijzonder interesseert zijn de vermeldingen van een vroege presentie van Israëlieten/Feniciërs in de USA. Israël en Fenicië spraken dezelfde taal: Hebreeuws, oftewel het West-Aramese dialekt. Hun gezamenlijke presentie in Amerika gaat terug tot voor 1000 voor Christus. Voor de goede orde, tussen 1000 en 900 voor Christus regeerden in Israël David en Salomo. Dit was de tijd van de grootste uitbreiding van Israël (het beheerste grote delen van het huidige Libanon, Syrië en Jordanië) en had een sterk bondgenootschap met de Libanese stadsstaten en waarschijnlijk ook Egypte.

 

Dit betekent dat we de populaire opvatting van Israël als een weinig ontwikkeld agrarisch volk opzij kunnen schuiven. (Die misvatting brengt sommigen er zelfs toe om de betrouwbaarheid van de bijbelse geschiedsschrijving á priori te betwijfelen. Wat wisten die domme mensen eigenlijk...) Domme mensen? Ze haalden koper uit Amerika op zulke grote schepen als wij in Europa pas in de negentiende eeuw konden bouwen. Ze konden koper uit kopererts halen, wat een ingewikkeld procédé is. Ze stichtten koloniën in Azië, Afrika en Europa, of werkten daar samen met anderen aan mee. Is dat de reden waarom de profeet Jona naar Tarsus in Zuid-Spanje wilde vluchten, één van die koloniën? Hij kon daar terecht met zijn eigen taal, cultuur en geloof.

 

Over Fenicische koloniën in Europa (Spanje, later gevolgd door Carthago) is wel het een en ander bekend. Laat ik er eerst op wijzen, dat ‘Fenicisch’ een naam is, die gegeven werd door de Grieken aan de Aramees (= Hebreeuws) sprekende volken aan de oostkant van de Middellandse Zee, dus inclusief Israël (in elk geval het Noordrijk). Daarvoor haalt Collins veel feiten aan. Maar wie had ooit gedacht hen ook in Amerika aan te treffen? Is daar enig bewijs voor? Ja. Ik geef enkele punten:

 

  1. Het verschijnsel Mystery Hill. Dit is een groot gebied in New Hampshire, met een oude nederzetting. Er zijn inscripties gevonden van Keltische, Fenicische en Iberische oorsprong. Er stonden gebouwen, o.a. een Baälstempel (de god van de Feniciërs).

 

  1. De stèle van Davenport, Iowa. Dit is een gedenksteen met inscripties in drie talen: het Fenicische dialect van Spanje, Egyptisch en oud-Lybisch. Sommigen noemen dit wel de ‘Steen van Rosetta’ van Amerika. Over de ouderdom is niet zoveel bekend, maar deze wordt geschat op 1000 – 500 v.C. Er zijn diverse andere inscripties in deze talen ontdekt (o.a. op Long Island en in Oklahoma). Is het daarom verwonderlijk dat de schrijfwijze van de Micmac-Algonquin indianen uit het noord-oosten van de USA veel verwantschap toont met het oud-Egyptische schrift?

 

  1. In de buurt van Albuquerque in New Mexico werd in 1933 op een zeer zware steen een inscriptie in het oud-Hebreeuws ontdekt, zoals dat in Israël vóór de ballingschap gebruikt werd. De Los Lunas Decaloog is een samenvatting van de Tien Geboden, in een schrijfstijl die ongeveer 1000 v.C. gebruikelijk was. Het oude Hebreeuwse schrift is totaal anders dan het huidige, dat uit het Babylonië van de ballingschap stamt.  Tot 1949 kon niemand de tekst ontcijferen, want wie dacht er ooit aan oud-Hebreeuws op een steen in Amerika? Dit laat een Joodse presentie zien, zeer diep in Amerika. Ook in Ohio werd iets dergelijks ontdekt: de Decaloog Tafel, opnieuw de Tien Geboden in Oud-Hebreeuws schrift. De indiaanse talen van het N.O. van de U.S.A. (o.a de taal van de Algonquin) hebben een Hebreeuwse/Aramese oorsprong. Probeer dat maar eens te verklaren.

 

  1. De koperwinning rond het Lake Superior. Lang was het een raadsel waar David en  Salomo al het koper vandaan haalden. Zoveel is er in de wijde omgeving van Israël niet te vinden en nooit te vinden geweest. Maar in Kronieken lezen we enkele keren van niet te wegen hoeveelheden koper, klaargelegd door David voor de tempelbouw. Het feit dat hij uit twee overwonnen steden in Syrië enorme hoeveelheden koper had weggeroofd, lost het probleem niet op. Ook daar zat weinig of geen koper in de grond. Oude munten uit het Midden-Oosten en andere zaken laten zien dat de meer dan 3000 gevonden antieke kopermijnen in de omgeving van het Bovenmeer bestemd waren voor de handel met de ‘Oude Wereld’.

 

  1. Talloze andere inscripties, overblijfsels van gebouwen, een kade voor zeeschepen en munten bewijzen een aanwezigheid van mensen uit het invloedsgebied van Israël (Fenicië) in Amerika, en ook uit Egypte en Noord-Afrika, getuige één inscriptie waarin de naam van een Egyptische vorst (Shishonq) wordt genoemd, die gedateerd kan worden tussen 1000 en 800 v.C. Deze inscriptie, gevonden bij de Rio Grande rivier in Texas, wekt de indruk dat deze vorst zelf Amerika bezocht. Ook kan de aanwezigheid van Kelten en Arabieren (gezien een inscriptie in het oude Kufi schrift) worden aangetoond.

 

  1. De Adena-cultuur in het zuidoosten en oosten van de USA is, getuige enkele inscripties uit o.a. West-Virginia (Grave Creek) en Tennessee een Iberische cultuur geweest, en geen indiaanse. Later komen er de Hopewell-mensen (200 v. C. - 400 n. C.), ook mensen van buitenaf, uit Carthago naar alle waarschijnlijkheid. Er is o.a een grafinscriptie gevonden uit de eerste of tweede eeuw v.C.

 

Joodse/Israëlitische invloeden in het oude Europa en Afrika

Een zeer waarschijnlijke en uiterst belangrijke observatie van Collins is, dat de Feniciërs niet één volk vormden, maar waren samengesteld uit meerdere volken aan de oostelijke zijde van de Middellandse Zee. Zij spraken dezelfde taal en hadden dezelfde cultuur. Onder hen ook de Israëlieten, zeker na de tijd van de splitsing van het rijk van David en Salomo. Ook de Bijbel geeft aan dat er een sterke verbroedering bestond tussen de Libanese en Syrische stadsstaten en het Noordrijk. Dat veroorzaakte voortdurend ook het opdringen van het Baälsgeloof in Israël.

 

De Fenicische nederzetingen in het Middellandse Zeegebied, vooral in Zuid-Spanje, waren deels Israëlitisch/Joods. De aanwijzingen dat er sterke Israëlitische invloeden zijn onder de kolonisten van Ierland en Engeland, en onder de Kelten in het algemeen, worden door allerlei bronnen bevestigd, en dat blijkt ook uit de bestudering van de Keltische taal, met talloze Hebreeuwse invloeden. Het is interessant wat Collins hierover zegt. Grote delen van Spanje waren Fenicisch en Keltisch toen de Romeinen het gebied veroverden. Sommigen hingen ook het Joodse geloof aan of hadden sterke godsdienstige invloeden ondergaan van het Jodendom.

 

Dit werd versterkt in de eeuw voor de wegvoering van het Noordrijk (722 v.C.). Al in de eeuw daaraan voorafgaande was er een enorme uittocht aan de gang. We lezen bij de profeten Jesaja en Zefanja van grote Hebreeuwse nederzettingen in Zuid-Egypte en zelfs in Ethiopië. Is er toen ook een uitstroom van Israëlieten geweest naar Zuid-Spanje en Carthago? En hebben zich daar later ook inwoners van Juda bijgevoegd, na de verovering door Nebukadnezar van het Zuidrijk Juda (586 v.C.)?

 

Een belangrijk hoogtepunt was de stichting van Carthago op het einde van de negende eeuw v.C., een machtige stad in het huidige Tunesië. De oorspronkelijke naam van de stad was Kirjath Hadeshath (Hebreeuws voor Nieuwe Stad), volgens Alfred J. Church in zijn boek ‘The Story of Carthage’. Er waren sterke Joodse invloeden in die stad. De koheniem (een Hebreeuws woord voor priesters) brachten in de aanvang offers zoals in Leviticus beschreven.

 

De Carthagers hadden een enorme handel met Noord-Amerika. Daarvan bestaan vele archeologische bewijzen. Ook de Griekse historicus Herodotus schrijft erover. In 500 – 480 v. C. zonden ze een expeditie in 60 schepen in westelijke richting over de Atlantische Oceaan met 30.000 mensen, mannen, vrouwen en kinderen. Dat wijst op kolonisatie. Hun schepen waren zo groot, dat elk ervan wel 500 passagiers kon bevatten. Sommige van deze schepen waren groter dan 1000 ton.

 

Vanaf het begin van de Punische oorlogen, die in 146 v.C. leidden tot de val van Carthago, voegden zich grote groepen mensen bij de reeds genoemde Adena beschaving in Noord-Amerika. Onderzoekers gaven hen de naam: Hopewell mensen. Waar kwamen zij vandaan? Carthago? Gezien tal van grafstenen met Punische (Carthaagse) inscripties is dat zelfs waarschijnlijk. In de tijd van keizer Augustus werd Carthago weer een grote stad, opnieuw bewoond door de Puniërs, de oorspronkelijke bewoners. En de contacten met Noord-Afrika bleven bestaan.

 

De handelscontacten resulteerden erin dat er al heel vroeg Carthagers die Christen waren in Amerika kwamen. In Pennsylvania is een Punische grafsteen gevonden met een Christelijke tekst (over kerkelijke gebruiken). Deze dateert uit de eerste of tweede eeuw. Verder verwijst Collins naar bakstenen met opschrift in Comalcalco (Mexico, een Mayastad in de buurt van Villahermosa). Deze opgraving toont in mijn ogen niet onomstotelijk aan dat er Christelijke invloeden waren in het oude Mexico. Het is niet zeker of je het woord Jezus kunt lezen op één van de stenen, zoals sommigen veronderstellen. Wel is het duidelijk dat de stenen door Romeinen gebakken zijn, of naar Romeins voorbeeld, gezien de Romeinse tekens in de stenen. Ook is er invloed van de Punische (Fenicische) taal in de inscripties aldaar.

 

Romeinse invloeden vind je vanaf het begin van onze tijdrekening hier en daar in Noord-Amerika en het Caraïbische gebied. Zo werd er een grote hoeveelheid Romeinse munten gevonden in Venezuela (maar ook op veel plaatsen in Noord-Amerika, evenals Romeinse sieraden, tot in Ecuador toe). Deze dateerden uit de eerste drie eeuwen.

 

Slotconclusie

Er is meer bekend over pre-Columbiaanse betrekkingen met Amerika dan velen weten. De mensen in de oudheid waren een stuk meer ontwikkeld dan we dachten. Het geloof in de ene God was veel wijder verspreid dan zelfs de trouwe bijbellezer vermoedt. En dan heb ik het alleen maar over de eerste helft van het boek van Collins gehad. De rest volgt nog en zal ons ook verbazen.

 

De vraag blijft echter, waarom de historici zo zweren bij hun oude ongelijk. Ik liep daar ook tegenop met mijn boek ‘Jesus Multinational’. Waarom die neiging om kerk en het Jodendom te kleineren, decimeren en deels zelfs te ontkennen in de geschiedenis? Zelfs kerkhistorici hebben hier een tick van.

 

Het doet me denken aan een gedenkwaardige ontmoeting die ik had met twee wereldberoemde historici. Ik kende zowaar hun namen. We troffen elkaar bij een opgraving in Jordanië. Ik kan hun namen niet noemen, dat heb ik hen beloofd. De een is de grote wereldexpert w.b. de geschiedenis van de Nabateeërs. De ander is een groot deskundige op het terrein van de Byzantijnse kunst. De één is een Jordaniër, de ander een Fransman, verbonden aan de Sorbonne. Ze dachten me met argumenten uit het hoofd te kunnen praten dat de vroege Christelijke kerk groot was, en mogelijk al meer dan een miljoen aanhangers telde in het jaar 100. Maar na enige tijd zeiden ze: “Meneer, u hebt misschien wel gelijk. Wat weet u er veel van...” Dat is één van de mooiste complimenten die ik ooit gekregen heb.

 

Ik eindig met een hoeraatje voor Collins. Knap werk, man – al lijk je soms door te draven. Ik kan dit boek van harte aanbevelen. Er staat nog veel meer wetenswaardigs in, en vooral de archeologische vondsten vertellen een onmiskenbaar verhaal. Ze zetten ons verstaan van de vroege geschiedenis van Amerika op z’n kop.

(lees ook het aanvullende artikel van Bram over de ontdekking van Amerika II)

Bram Krol

Gorinchem, 27-11-2012 (enigszins aangevuld/verbeterd 30 april 2014)