ZENDING – ANDERS EN INSPIREREND

 

Duur, verspillend en weinig effectief. Asjeblieft! Dat is de zending. Dat is frustrerend en demotiverend. Bureaucratisch. Langzaam. En het allerergste: weinig missionair. Het wordt tijd de zending anders aan te pakken.

Het bestaansrecht van veel organisaties lijkt te zijn om aangename en interessante gemeenteavonden te leiden in den lande. Daar komt het geld binnen. Maar wat gebeurt er aan zending? Hoeveel mensen komen tot geloof? Hoeveel kerken worden – mede door de hulp vanuit Nederland – elders in de wereld gesticht? Dat zijn de basisvragen. Er zijn ook wel andere taken. Maar een sportteam dat geen punten haalt, kan maar beter opgedoekt worden. Een bedrijf dat verlies leidt ook.

Dure kantoren, dure medewerkers, veel vergaderingen. Maar weinig voortuitgang op ‘t veld. Het zijn niet de grote organisaties die de meeste vrucht zien op hun verkondiging – voor zover directe verkondiging niet is vervangen door sociale projecten, kerkbouw en dergelijke ondersteunende activiteiten. Wat is de precieze opdracht van degenen die we op reis sturen naar het buitenland? Soms lijkt het erop dat we de verkeerde mensen naar de verkeerde plaatsen sturen om op de verkeerde manier verkeerde taken te vervullen. Wat mankeert eraan en hoe zou het dan moeten?

Er is meer te zeggen. Er worden mooie dingen gedaan. Dank de Heer daarvoor. Maar dit zijn enkele observaties waar ik niet onderuit kan, en die ik nader zal uitwerken.

 

Wat is zending?

Zending (missie) is de verkondiging van het Evangelie in andere culturen/talen waar nog geen of onvoldoende kerken zijn. Het is niet anders dan evangelisatie of ‘de verbreiding van het Goede Nieuws’, zoals dat in de Bijbel heet, en ook: ‘verkondiging’. Alleen vindt deze verkondiging plaats met een complicerende factor erbij: culturele- en taalverschillen.

In teveel gevallen is de verkondiging van het Evangelie op de achtergrond geschoven. Daarmee hebben zending/zendeling hun bestaansrecht verloren.

Zending is in de eerste plaats: verkondiging. Gezongheidszorg en onderwijs, meer dan een eeuw lang gezien als de hoofdelementen van de zending, zijn niet anders dan ondersteunende activiteiten, niet de hoofdactiviteit. Je kunt ze desnoods overslaan, en je wijden aan de meest eigenlijke taak, bijvoorbeeld in landen waar de overheid de zorg voor haar onderdanen goed geregeld heeft. Maar mocht je alleen iets aan onderwijs of gezondheidszorg doen, dan kun je dat eigenlijk niet zending noemen.

 

Wie kunnen zendeling worden?

Wie kunnen er zendeling worden? Volgens de klassieke opvatting: mensen met een roeping, een gedegen opleiding (meestal medisch of theologisch) en een aanstelling door een kerk of zendingsinstelling. Volgens mij kun je geen zendeling worden. Je bent het wél of níet. ‘Ieder mens is óf zendeling óf zendingsveld’, heeft iemand eens puntig gezegd. Wie gelooft heeft iets te vertellen, wie niet gelooft moet iets horen. Want het geloof volgt op het horen van het Woord. Wie nu geen zendeling ís, zal het nooit worden. Die persoon wordt een internationale bureaucraat, zoals ook de Verenigde Naties er over duizenden beschikken. Maar wat is de waarde daarvan voor kerk en geloof?

Maar: sommige gelovigen worden vanwege hun gaven erkend door de kerk en krijgen een functie als beroepszendeling aangeboden. Zij worden er dan als betaalde werkers namens de anderen op uitgestuurd. Dat zijn de mensen die we zendeling of missionaris noemen.

Wat heb je nodig om (beroeps-)zendeling te worden? A. Roeping, opleiding en aanstelling. Dat is een gangbare trits, in sommige verwaterde denominaties vereenvoudigd tot: opleiding en aanstelling. Of: B. Geloof alleen. Ik kies voor B in de eerste plaats, aangevuld met A. Dus: niet alleen maar A. Daarin ontbreekt nu net het belangrijkste. Een zendingskandidaat moet blijk gevebn van een levend geloof, actief zijn in kerkelijk werk en evangelisatie en een duidelijke roepingservaring hebben. Is dat aanwezig, dan valt er te denken over opleiding en aanstelling.

Hoewel roeping een zeer subjectieve ervaring is, is dat nog geen reden om er geen aandacht aan te schenken. Wie een sterke roepingsovertuiging heeft, is in de praktijk meestal veel stabieler en krachtiger in zijn werk dan iemand zonder die overtuiging.

Mocht er iemand voor een zendingstaak nodig zijn, laat dan - naast diens roeping – vooral zijn gaven sterk meetellen. Voor de harttaken van de zending moet je goed kunnen communiceren, les geven, evangeliseren en pastoraal bewogen zijn. Natuurlijk is ook een gedegen opleiding waardevol, want waarom zou je iemand erop uit sturen om te doen wat ook de mensen ter plekke al kunnen? Toch zijn kennis en vaardigheid secundair in de keuze voor de juiste persoon, omdat het gemakkelijker is om kennis aan te vullen dan karakters te veranderen. Juist de kracht van iemands geloof en diens sociale en communicatieve vaardigheden wegen zwaar.

Jaar en dag werd er vooral naar ‘de goede opleiding’ gekeken, vaak meer dan naar roeping en vaardigheden/gaven. Dat is één van de redenen voor het falen van veel zendingswerk. Iemand wordt geen zendeling/missionaris door zijn aanstelling of door een diploma. Wie in eigen land geen kerk kan opbouwen, mensen kan bekeren of hen pastoraal begeleiden, kan dat in het buitenland ook niet. Wie in Nederland de kerk niet vol kan krijgen, kan dat elders ook niet. Wie de moderne heiden niet aan kan, heeft niets te zoeken bij de traditionele heiden.

Stuur alleen diegenen uit, die ook werkelijk nodig zijn. Maar al te vaak hebben we dure werkers op het veld voor taken die lokale werkers veel beter en goedkoper kunnen doen. Dat is geldverspilling.

 

Historische scheefgroei

Hoe ging het in het Nieuwe Testament? Predikers (niet alleen de apostelen) trokken de wereld in en verkondigden het Evangelie in grote gebieden waarvan ze de taal kenden (vooral Aramees en Grieks). Ze werkten dikwijls om hun eigen kost te verdienen, maar vaker werden ze voortgeholpen door de nieuwe gelovigen. Cultureel hoefden ze zich niet aan te passen. Rondom Israël waren grote gebieden, tot aan India en Georgië toe, waar men Aramees sprak en waar de culturen elkaar niet weinig ontliepen, nadat die streken jarenlang tot het ene na het andere wereldrijk hadden gehoord (Assyrië-Babel-Perzië-Macedonië (Grieks). Voor het Oosten volgde daarop het Parthische rijk, voor het Westen het Romeinse rijk. In het Romeinse Rijk was de voertaal Grieks. Dat was ook de moedertaal van veel Joden van buiten Israël (zoals de apostel Paulus). In die grote wereldrijken kon je gemakkelijk reizen, met dezelfde muntsoort betalen en je verstaanbaar maken.

In de eerste eeuwen werd het Evangelie verbreid door bijvoorbeeld handelaars, militairen en zeevarenden, dus: ambteloze gelovigen. Maar ook zonden de kerken mensen uit, of geestelijke leiders maakten grote zendingsreizen om daarna weer in hun thuiskerk terug te komen. Zending en geloof hoorden bij elkaar, zonder tussenkomst van speciale zendingsorganisaties.

Vooral na de Reformatie kwam er een grote verandering. De protestantse landen waren ingesloten door een band van Rooms-Katholieke en Orthodoxe gebieden. Men vond het wel wat gortig om aan andere Christenen het Evangelie te verkondigen. Rondom de eerste schil lag een tweede, de islamitische wereld. Die had het Evangelie weliswaar hard nodig, maar daar was veel vijandigheid. Nog maar een stukje verder dan...

En zo kwam de zending terecht in zeer verre streken, meestal de koloniën van Europese landen. Daar waren een rechtssysteem en veiligheid. Maar de talen en culturen verschilden radicaal van die van de zendingswerkers. Het duurde jaren voor een nieuwkomer om zich verstaanbaar te kunnen maken. Maar omdat de gemiddelde zendeling maar ongeveer 4 jaar in dienst bleef, waren er maar weinigen die ooit leerden zich goed aan te passen en verstaanbaar te maken. Dat maakte de zending duur en weinig effectief.

Met die verre landen hadden de werkers geen directe en vanzelfsprekende relatie. Ze waren en bleven vreemdelingen… Sommigen slaagden er evenwel in om een goede band met de bevolking te ontwikkelen. Veel anderen slaagden daar niet in. Niemand hoort dat graag, maar de geschiedenis van de zending is een geschiedenis van meer mislukking dan succes.

Eigenlijk kun je de ‘goede’ zendingswerker het beste op het werkterrein selecteren. Dat noem ik: selectie op gaven. Maar wanneer je een beroepsopleiding vooraf als vereiste stelt, zul je merken dat een zeer groot percentage van al diegenen die zo’n dure en lange opleiding hebben gevolgd, toch niet de juiste personen waren. Dat is het gevolg van ‘selectie op diploma’. Duur en onpraktisch!

Door de verre landen en vreemde culturen werd de zending des te meer afhankelijk van hooggeschoolde beroepskrachten. Ze was topzwaar en onnatuurlijk. Daarmee werd zending iets exotisch, iets dat voor de ‘gewone gelovige’ onbereikbaar was - hoewel het volgens de Bijbel tot de dagelijkse praktijk van elke kerk zou moeten horen.

De zendeling bracht relatief veel luxe mee. Hij woonde in betere huizen en meestal ook afgescheiden van de lokale bevolking. Hij was en bleef een outsider. Hij kon bovendien naar zijn land terugkeren als hij dat wenste, hij kon naar een gerenommeerd ziekenhuis en zijn kinderen zaten op een betere school dan de lokale kindertjes. Hij werd (meestal) beschermd door de koloniale autoriteiten. Dat maakte de eenwording met de lokale gelovigen heel moeilijk. (De Rooms-katholieke missie deed dit overigens beter, mede doordat de missiepaters zich vaak levenslang in het nieuwe land vestigden en ook omdat ze in groepsverband leefden. In die groepen werden lokale gelovigen als medewerkers opgenomen.)

 

Het voorbeeld van de Nestorianen

Het is helaas weinig bekend dat de grootste zendingsbeweging aller tijden (na de apostelen) plaatsvond van 600 tot ongeveer 1100, vooral in Azië. Vele miljoenen in Mongolië, China, Centraal-Azië, India, Afghanistan, Arabië, tot in Azerbaidzjan en de Hoorn van Afrika toe waren gelovige christenen. Hoe dat in zijn werk ging? Reizen was moeilijk en er was geen postsysteem. Dus: er was nauwelijks contact van de zendeling met zijn moederland. Zendelingen verdienden de kost als handelaren of ze trokken op met groepen handelaren uit hun thuisland die hen ter plekke ondersteunden. Ze waren, ook als handelaar, gepokt en gemazeld in het geloof. Daar had hun thuiskerk voor gezorgd. Ze bedropen zichzelf en de kerk die uit hun activiteiten voortkwam.

Een handelaar woont daar waar hij de kost kan verdienen. Hij moet zich aanpassen en andere talen leren, anders mislukt hij. Vaak zal hij iets opbouwen wat het hem onmogelijk maakt snel weer te vertrekken. Hij is een blijvertje én natuurlijk ook cultureel aangepast. Daarmee is hij de  ideale zendeling: een getuigende en onbezoldigde gelovige in den vreemde. Hij komt niet ten laste van zijn moederkerk.

De kracht en effectiviteit van de zending in den vreemde staat en valt met de effectiviteit van de kerken in eigen land om hun eigen leden te vormen tot waarachtige disicipelen. Dat toont het voorbeeld van Jezus al aan. De grootste zendingsgolf (Nestorianen) sinds de apostolische tijd gebruikte bijbelse zendingsprincipes. Die zijn blijkbaar enorm vitaal. En sindsdien is dat veel vaker zo gebeurd. De krachtigste zendingsdoorbraken hadden alle diezelfde trekken, te weten: inschakeling van vrijwilligers, een duidelijke boodschap, werk aan de basis, oproep tot bekering, intensief onderricht van de Bijbel. 

Dat de zending van de laatste twee eeuwen niet die Schwung had als die van de Nestorianen 1000 jaar geleden, heeft deels te maken met politieke en economische factoren. De koloniale handel werd angstvallig gescheiden gehouden van kerk en geloof. De zending kwam daardoor – anders dan bij de Nestorianen -  geheel ten laste van de kerken in het moederland en viel vrijwel geheel toe aan deskundigen en hoogontwikkelde fulltime werkers. Verder hielden de koloniale overheden zending en missie kort om godsdienstige spanningen te voorkomen.

 

Zendingswerk is werk aan de basis

We hebben in het Westen de neiging zending en evangelisatie te zien als het werk van specialisten. Dat is dé zondeval van de zending. Werk, dat van nature thuis hoort in de handen van alle gelovigen, wordt verheven tot een beroepsactiviteit. De gelovigen worden tot nietsdoen gedoemd (zij kunnen ‘het’ immers niet), en de doeners krijgen een veel te zware taak toebedeeld, want ze moeten ‘alles’ doen. Dat is heel ongezond en in feite onwerkbaar. Zending gedijt het beste als een volksbeweging.

Zo is het toch ook in de kerk? Het meeste werk wordt door vrijwilligers gedaan, die natuurlijk geen salaris voor hun werk ontvangen. Evangelisatie? Idem dito. Zending? Opeens verkondigen kerken dat hiervoor alleen hooggeschoolde en goed betaalde krachten nodig zijn. Daarmee wordt de zending gekortwiekt, tamelijk machteloos, te log en veel te duur.

“Eén ding weet ik..., ik was blind, en nu kan ik zien...” (Johannes 9:25) Dat is een duidelijk getuigenis van iemand die nog hoegenaamd niets van Jezus wist, behalve dat hij door Hem genezen was. Dat is zending/evangelisatie ten voeten uit. Wie iets te vertellen heeft, moet dat doen; wie niets te vertellen heeft, moet z’n snater houden. We moeten de gewone gelovige weer aan de praat krijgen. Daar heb je geen geld voor nodig, maar wel geloof en een enorme verandering in de kerken, haar organisatie, catechese, jeugdwerk en pastoraat. De zondeval van de zending staat niet los van de zondeval van de kerk, die weinig meer gemeen heeft met de kerk uit de Bijbel.

Die eenvoudige gelovige trekt de hele wereld over, voor zijn werk of op vakantie. En overal waar hij komt, heeft hij iets te vertellen: “Eén ding weet ik...” Hij vindt open deuren voor het geloof, hij ziet vrienden tot geloof komen. Hij verzamelt de nieuwe gelovigen in groepen voor bijbelstudie en gebed. Dat heeft hij thuis al geleerd en dat past hij ook in den vreemde toe. Die groepen kunnen uitgroeien tot een nieuwe kerk.

Omdat ‘zending’ behoort tot het normale leven van een gelovige, kun je alle romantiek eraf halen. Het is alleen maar vreemd als een gelovige geen zendeling is. “Maak alle volken tot Mijn discipelen…” Dat is toch bekend? Maar passen we het ook toe?

Zending hoort bij elke kerk en elke gelovige. Het meeste werk gebeurt door ambteloze vrijwilligers. De baas vertelt het zijn personeel, het personeel praat met collega’s, de arts getuigt, de verpleegster en de zieke in het ziekenhuis ook, net als de student aan een vreemde universiteit en de professor, de sportbeoefenaar, de militair en noem maar op. Dat is de basis van alle zendingswerk. Hier stuiten we op echter een kolossaal probleem. Veel gelovigen hebben maar weinig te vertellen of ze weten niet hoe ze dat moeten doen. Wil je meer zending? Begin dan met de kwaliteit van de gemiddelde gelovige.

Allicht heb je - naast vrijwilligers - ook andere werkers nodig. Er blijft behoefte bestaan aan specialisten op allerlei vlak, leraars, vertalers, hulpverleners, technici en leiders. Maar laat de ‘gewone’ gelovige het grote werk doen. Professionele zendingswerkers zijn niet de voortrekkers van het werk, maar eerder de hulpbrigade. Net als een predikant in de kerkelijke gemeente.

 

Visie

Paulus richtte zich voornamelijk op de grote steden en bestuurlijke centra. Zodra daar een levende gemeente ontstond, kon hij het werk in de wijde omgeving aan die gemeente overlaten. Teveel zendingswerk vindt plaats in de periferie en dat veroorzaakt veel verlies aan effectiviteit. De grote centra beschikken over macht en (enig) geld. De kerken daar kunnen al snel zichzelf bedruipen. Op zoek naar werk komen mensen uit allerlei minderheidsgroepen naar de stad. Daar horen ze van het geloof. Ze staan er meer open voor, dan wanneer ze thuis waren gebleven, waar de sociale controle sterk is. Zij zijn degenen die effectiever dan welke zendeling ook het Evangelie in hun stam en dorp kunnen doorgeven. Zij spreken het lokale dialect of hun stamtaal. Bovendien zijn ze burgers van het betreffende land, wat hen veel bureaucratisch gedoe bespaart waar zendingswerkers mee te maken krijgen.

Er is meer te zeggen over de visie van Paulus. Hij begon bij de niet-wettische hellenistische joden en heidense vrienden van de synagoge (die veel meer messiaans gezind waren dan de Farizeese stroming in Israël). Met de nieuwe gelovigen vormde hij een nieuwe gemeente die hij dan weer inzette om de wijde omgeving te bereiken.

Een goede visie voor kerk en zending moet zijn: helder, eenvoudig, snel toepasbaar voor iedereen. Zending moet er in de eerste plaats op uit zijn om een volksbeweging naar Christus op gang te brengen. Dat biedt ook vereisten voor de boodschap die ze brengt.

Een goede boodschap (zowel in den vreemde als in eigen land!) is helder, consequent, op de hoorder gericht en snel te vatten. Dan leren de gelovigen om zelf ook een goede boodschap door te geven, niet alleen in persoonlijke situaties, maar ook als sprekers. Zij zijn niet gedoemd om alleen maar te luisteren. Ze moeten ook opgeleid worden tot predikers. De professional is niet een persoon van een andere planeet, die doet wat niemand anders kan, maar een trainer die de anderen inspireert en degenen die daar de gaven voor hebben helpt om hetzelfde te doen.

Een goede boodschap brengt hoop, gaat over verlossing, stelt Jezus centraal, sluit aan bij de nood en de behoeften van de toehoorders en blijft bij de aloude waarheid (want de waarheid verandert niet en is niet onderhevig aan modetrends). Een kerk die met meerdere monden spreekt (die dus wezenlijk verschillende opinies verkondigt), graaft haar eigen ondergang. Het heeft totaal geen zin werkers erop uit te sturen wanneer de eenheid in leer en ethische waarden van de thuiskerk zoek is… Die kerk zaait slechts verwarring en verplaatst de discussie in haar eigen midden naar elders. Ook op dit punt loopt veel zendingswerk stuk.

Soms is er zelfs in het geheel geen overkoepelende visie. Dat is net zoiets als aan de bouw van een huis beginnen, maar zonder bestek. Dat wordt een wanhopige mislukking. Veel zendingswerk is klungelwerk – maar de goegemeente protesteert niet. Die is haar vermogen tot nuchter bijbels oordelen al lang kwijt geraakt.

 

Zendingsbesturen

Zendingsorganisaties in het zendende land bepalen wat er moet gebeuren op het zendingsveld dat ze nauwelijks kennen. Dwaas! Ze kunnen geld werven en een zekere mate van controle uitoefenen op de werkers en hun bestedingen, maar hoe ter wereld kan een bestuur op duizenden kilometers afstand bepalen wat er nodig is in afgelegen streken? Leiding en planning moeten ter plekke gebeuren.

Je kunt werkers in den vreemde materieel en moreel ondersteunen. Maar voor advies en controle zijn lokale mensen nodig die de omgeving, de noden en de mensen kennen.

Een zendingsorganisatie is nodig voor het onderhouden van contacten, doorgeven van informatie en werven van geld, verder voor het controleren van de koers van de werkers en hun boodschap, hun opleiding en regeling van wettelijke vereisten etc.

Is het zendingskantoor in Nederland de ‘baas’ van de zendingswerker, of de dienaar van hem? Ook hier zien we een wonderlijk verschil met de principes van het Nieuwe Testament. Daar was de apostel degene die de beslissingen nam. In veel zendingsorganisaties is de zendeling de uitvoerende kracht en heeft het zendingsbestuur, vooral de directeur van het zendingsbureau, de feitelijke leiding. Zendelingen, of in het Nieuwe Testament: de apostelen, worden in onze tijd managers in plaats van leiders. Dat is een grote zwakte. De leider gaat voorop en laat zijn doelen niet door anderen bepalen. Wie leidt de zendeling in zijn dagelijkse beslissingen en in de ontwikkeling van zijn visie en strategie? Toch niet de mensen die aan de kant staan? Die kunnen hem ondersteunen.

De zendeling is meer dan een manager. Dat is een probleem binnen moderne zendingsopvattingen. Men meent dat de landelijke kerk in het ontvangende land de uiteindelijke beslissingen moet nemen. De zendeling is er alleen om te helpen. Maar dat is in zekere zin vreemd. Je stuurt een geestelijk leider van formaat uit eigen land naar elders en die wordt daar dan loopjongen… Degene die we zenden heeft een apostolaire taak, met grote mate van vrijheid van handelen. Hij kan natuurlijk niet de verantwoordelijkheden van lokale kerkelijke besturen overnemen, maar moet een terrein toegemeten krijgen waar hij een grote mate van beslissingsvrijheid heeft. Een apostel kun je niet aan een touwtje binden.

Net als in de Bijbel, is er echter wel een bijzondere taak voor de leiders ‘thuis’ (ook: zendingsbesturen), namelijk erop letten dat de principes die men gezamenlijk heeft geformuleerd ook gerespecteerd worden. Ze moet niet leiden op strategieën en taken (de agenda van de zendeling), maar op principes.

 

Zending is een beweging

Terug naar het bewegingskarakter van de kerk uit de Bijbel! Veel zendingswerk is te statisch en  niet zo effectief. Dat komt omdat de zendelingen twee bazen hebben: de autoriteiten uit het zendende land (besturen, synodes, deputaten e.d.) én onder de geestelijke autoriteiten van het ontvangende land. Daarmee zijn ze Kop van Jut. Is één van beide geestelijk ingeslapen, niet enthousiast over directe evangelisatie of kringenwerk of afgeweken van de bijbelse leerstellingen, dan verlamt dat de effectiviteit van het zendingswerk ten zeerste.

Het is daarom beter de zending als een vrije beweging op te zetten, die haar eigen weg vindt, die wel samenwerking met lokale kerkelijke autoriteiten zoekt, maar niet onder hen ressorteert. Een beweging gaat dood onder leiding van statisch of formeel denkende mensen (en dat zijn veel kerkbestuurders). Haar specifieke eigenschappen worden door dergelijke bestuurders teveel aan de kant geschoven. Dan kan de zending geen vernieuwingsbeweging meer zijn.

Zending is er niet alleen om de buitenstaanders te winnen. Zending heeft ook een boodschap voor christenen, die ze wil inschakelen. Ze wil de kerken meer missionair maken. Daarom moet de zending vrij kunnen opereren.

Kerken hebben de neiging te verstarren en in te slapen, soms al enkele tientallen jaren na hun stichting. Zo ging het ook bijvoorbeeld met de tweede generatie na de reformatie. Dat kom je keer op keer tegen. Zending onder bestaande structuren (deels krachteloos geworden door compromissen) betekent dat je de zendingstaak te grabbel gooit.  

 

De vrijheid van een zendingswerker

Een werker in den vreemde dient zijn eigen koers uit te zetten. Hij moet zijn eigen open deuren zoeken, zijn gaven talenten afstemmen op de mogelijkheden ter plaatse, uitvinden met wie hij goed kan samenwerken etc. Deden de apostelen dat niet zo volgens Handelingen? De neiging van veel organisaties om alle zendingswerk al a priori vast te leggen, is weinig zinvol. Dat is een harnas. Het is beter de werker veel ruimte te geven, zodat hij zijn eigen weg kan vinden.

Wil iemand ‘de zending in’? Laat dat dan bij voorkeur gebeuren op zijn eigen gezag. Laat hij een beroep leren dat hij elders kan uitoefenen. Zo verdient hij zijn eigen kost en betaalt zijn eigen geestelijke arbeid. Daar is geen organisatie voor nodig. Het is goed als de grote meerderheid van werkers in verre landen bestaat uit vrijwilligers. Die kunnen dan best samenwerken en ook gecoached worden door ‘de zending’.

Waar nodig kan iemand verder geschoold worden in bijbelkennis, theologie, talenkennis etcetera. Ook kan iemand besluiten zich niet blijvend ergens te vestigen, maar rond te reizen, zoals de apostelen dat deden. (Veel zendingswerk is te statisch.)

Natuurlijk is het van belang dat diegenen die specialistisch werk doen of die aan langlopende projecten werken een vaste aanstelling krijgen, mede in verband met verzekeringen, controle op de geldstroom en adviezen, verblijfsvergunningen e.d. Voor zulke taken blijven zendingsgenootschappen nodig.

 

De morele code van een zendeling

Een werker in het buitenland moet moet (net als ieder ander) voldoen aan een heldere morele code. Heiliging! Het is beter iemand uit te sturen die Gods weg ten volle wil bewandelen, dan iemand die een genie is, maar wat losjes in de zeden. Zonde blokkeeert de omgang met God, de contacten met anderen en iemands kracht in spreken en handelen. Een slecht geweten maakt alle genialiteit vrijwel waardeloos, althans op geestelijk terrein. Zending is een geestelijke beweging, een werk van de Geest. Let erop dat de brieven van de apostelen vooral gaan over geloofsinhoud en het gedrag van de gelovigen. Ze leefden in een tijd waarin de zending hoogst belangrijk en zeer effectief was. Maar de brieven gaan nauwelijks over zendingsstrategie en aansporingen om aan de zending mee te werken. Daarover bestond blijkbaar een grote eenheid. Maar de problemen betreffen (ook nu meestal) gebrek aan geloof, dwalingen en misstanden. Daar wordt dan de volle aandacht aan geschonken.

Een heldere, toegankelijke, uniforme en redelijke ethiek ontbreekt momenteel in de kerken. Er is veel verwarring. Wie die verwarring niet overwint, zaait tot slot onvermijdelijk zelf verwarring, en dat brengt verdeeldheid en krachteloosheid.

Er moet gezorgd worden voor begeleiding van zendingswerkers om ontsporingen te voorkomen, eenzaamheid te vermijden en om hen geregeld te inspireren. Iemand die je maar wat ‘laat waaien’ verwaait, verwatert of loopt vast.

 

De carrière zendeling

Wie naar elders wordt uitgezonden, moet iets toevoegen dat ter plekke niet of onvoldoende bestaat. Welke taak hij ook vervult: boekhouder, verpleger of leraar, is een getuige. Wie dat niet is, hoort niet in de zending thuis, hoe goed hij ook in zijn werk is. Wie in de zending werkt, vertegenwoordigt de kerk in woord en in daad.

We moeten proberen onze beste werkers naar het buitenland te zenden. Vaak klonteren de ‘topbestuurders’ samen in het moederland. Daarmee wekken we de indruk dat het directe zendingswerk toch eigenlijk iets minder van belang is. Hoe was dat bij Jezus en de apostelen? Zie je het verschil?

 

Een paar adviezen voor zendingsorganisaties/zendende kerken

* Neem niemand aan die niet van plan is minstens tien jaar weg te blijven. (Anders ben je iemand, in wie veel geld geïnvesteerd is, kwijt voordat hij effectief is).

* Geef voorkeur aan mensen die met iemand uit het ontvangende land gehuwd zijn.

* Neem niemand aan die geen uitzonderlijke bijdrage aan kerk en evangelisatie in eigen land heeft geleverd. (Wie hier niet kan voetballen, kan dat elders ook niet.)

* Geef geen vaste taakomschrijvingen, maar wel de principes die iemand zelfstandig moet toepassen.

* Concentreer je op basistaken (verkondiging, evangelisatie, bijbelonderwijs aan de basis, bijbelverspreiding/-vertaling).

* Schaar sociale en welzijnstaken niet onder zending. Dat is het niet, hoe zeer ook nodig. Breng dat onder in een hulpverleningsorganisatie. Dat zal in veel landen ook gemakkelijker zijn in verband met het verkrijgen van een verblijfs- en werkvergunning.

* Accepteer geen werker die alleen maar knap en kundig is, maar geen evangelist. Hij wekt een verkeerde indruk, namelijk dat de evangelieverkondiging niet zo meetelt.

* Wie niet effectief is, moet snel vervangen worden.

* Begin de zendingsopleiding met een buitenland stage. Dat is doeltreffender dan iemand eerst een dure opleiding te laten volgen, om daarna pas zijn effectiviteit, gaven en aanpassingsvermogen te testen.

* Selecteer toekomstige zendingswerkers uit diegenen, die er blijk van geven een goed werk in het buitenland/andere culturen te kunnen doen.

* Laat de begeleiding vooral plaatsvinden door lokale gelovigen.

* Stuur niemand die lokale gelovigen werk uit handen neemt. Juist de lokale gelovigen moeten aan het werk worden gezet en zij zijn bovendien goedkoper.

* Zendingswerkers moeten er blijk van geven de leer van hun kerk goed te kennen en die te onderschrijven. Voor mensen met afwijkende ideeën is geen plaats. Dan ga je problemen creëren.

* Werk in de eerste plaats met vrijwilligers; ga banden met economische en onderwijsorganisaties aan, waar gelovige vakmensen uit het zendende land kunnen werken, die dan een flink deel van hun tijd vrij maken voor evangelisatie en bijbelonderwijs.

* Stuur alleen specialisten uit als er behoefte aan bestaat.

* Elke zendeling is naast verkondiger ook trainer; hij doet voor, legt uit, traint, schakelt in en maakt zichzelf overbodig.

* Werk samen met bedrijven, onderwijsinstellingten etc., zodat nieuwe werkers hun eigen salaris kunnen verdienen. Help potentiële medewerkers aan werk-/stageplekken. (De zending is dan ook een soort internationaal arbeidsbureau!)

* Land na land sluit voor de traditionele zending, hoewel de internationale contacten en mensen die buiten hun eigen land verblijven toenemen. De toekomstige zendeling is een ambteloze werker, die in het buitenland doet wat hij thuis al heeft geleerd: evangelisatie, bijbelgroepen opzetten etc. De zendingsorganisaties moeten daar veel meer op anticiperen.

* Stimuleer medegelovigen om bedrijven in arme landen op te zetten en werk met hen samen in de zending - maar laat ze financieel onafhankelijk opereren. Dan hoef je geen ziekenhuis of school te bouwen; dat kunnen de mensen dan zelf betalen, of anders het bedrijf.

* Stel duidelijke doelen. Werkers die (zonder afdoende reden) het doel niet halen, zijn niet goed te gebruiken.

* Elke gelovige die buitenslands gaat, of zeker: buiten Europa, is een zendeling – en kan worden gecoached door ‘de zending’, ook al is zijn dagelijkse werk sport, onderwijs, zaken doen, hulpverlening etc.

 Bram Krol 2 mei 2019

(Dit is een bewerking van het artikel: Zending – een vernieuwende aanpak, A.J Krol, 2 mei 2014; Deze ideeën zijn geboren gedurende meer dan 40 jaar ervaring met zending/evangelisatie/kringenwerk en kerkewerk, o.a. in enkele Europese landen, India, Nepal, Dem. Republiek Kongo, Ivoorkust, Ghana, Somaliland, Peru e.a.. Begin 2006 schreef ik er al eens over in het Nederlands Dagblad:Het is tijd voor de bekering van de zending”  te vinden op mijn website, www.bramkrol.com).