ZENDING - een vernieuwende aanpak

 

Duur, verspillend en weinig effectief. Asjeblieft! Dat is de zending. En dat is frustrerend en demotiverend. Het wordt tijd de zending anders aan te pakken.

We zenden de verkeerde mensen naar de verkeerde plaatsen, om daar op de verkeerde manier verkeerde taken te vervullen. Dat is doodzonde. Wat gaat er fout en hoe had het dan gemoeten?

Wat is het?

Om te beginnen: Wat is zending (missie)? Het is de verkondiging van het Evangelie in andere culturen waar nog geen kerken zijn of waar deze te zwak zijn de verbreiding van het Evangelie afdoende aan te pakken. Eigenlijk is het niet anders dan evangelisatie of ‘de verbreiding van het Goede Nieuws’, zoals het in de Bijbel heet, of ook wel: ‘verkondiging’. Maar vanwege de complicatie die veroorzaakt wordt door de andere cultuur (én de afstand én de moeilijkheden om je elders te vestigen...) onderscheiden we zending van evangelisatie.

Wie kies je?

Wie kunnen er zendeling worden? Volgens de klassieke opvatting: mensen met een roeping, een gedegen opleiding (meestal medisch of theologisch) en een aanstelling door een kerk of zendingsinstelling. Volgens mij kun je geen zendeling worden. Je bent het wél of níet. ‘Ieder mens is óf zendeling óf zendingsveld’, heeft iemand eens puntig neergezet. Wie gelooft heeft iets te vertellen, wie niet gelooft moet iets horen. Want het geloof volgt op het horen van het Woord.

Wat heb je nodig om zendeling te worden? A. Roeping, opleiding en aanstelling. Of: B. Geloof alleen. Ik kies voor B, aangevuld met A. Wie nu geen zendeling ís, kan het nooit worden. Die persoon wordt een Derde-Wereld-bureaucraat, zoals ook de Verenigde Naties er over duizenden beschikken. Maar wat is de waarde van zo iemand?

Mocht er iemand voor een taak of ambt in het buitenland worden gekozen, laat dan de gaven van die persoon het meest bepalend zijn voor die keuze. Sommige mensen onderscheiden zich door hun bijzondere gaven op de terreinen van communicatie, evangelisatie en/of pastoraat. Die heb je nodig. De rest mag je per direct vergeten. Natuurlijk is het goed als ze een goede opleiding volgen, want ze moeten iets te vertellen/ uit te voeren hebben. Maar kennis is secundair, omdat het gemakkelijker is om kennis aan te vullen dan karakters te veranderen. Juist de sociale en communicatieve vaardigheden en de kracht van iemands geloof wegen zwaar.

Jaar en dag werd er meer naar opleiding gekeken dan naar wat ik onder B. noemde. Dat is één van de redenen van het falen van de zending. Iemand wordt geen zendeling door zijn aanstelling of door een diploma. Wie in eigen land geen kerk kan opbouwen, mensen kan bekeren en/of mensen pastoraal kan begeleiden, kan dat in het buitenland ook niet. Wie in Nederland de kerk niet vol kan krijgen, kan dat elders ook niet. Wie hier de moderne heiden niet kan bekeren, heeft niets te zoeken bij de traditionele heiden.

Historische scheefgroei

Hoe ging het in het Nieuwe Testament? Predikers (niet alleen de apostelen) trokken de wereld in en verkondigden het Evangelie in de grote gebieden waarvan ze de taal kenden (vooral Aramees en Grieks). Ze werkten dikwijls om hun eigen kost te verdienen, of ze werden voortgeholpen door nieuwe gelovigen om hen heen. Cultureel hoefden ze zich niet aan te passen. Rondom Israël waren grote gebieden, tot aan India en Georgië toe, waar men Aramees sprak en waar de culturen elkaar niet zo veel ontliepen. In het Romeinse Rijk was de voertaal het Grieks, de moedertaal van de hellenistische Joden (zoals Saulus, die later Paulus werd). In de grote wereldrijken van die tijd (het Romeinse en het Partische) kon je gemakkelijk reizen, met dezelfde muntsoort betalen en je verstaanbaar maken.

In de eerste eeuwen verliep de zending vooral door zakenmensen, militairen en anderen, dus: ambteloze gelovigen. Maar ook zonden de kerken mensen uit en maakten geestelijke leiders zendingsreizen. Ze kwamen vooral daar, waar ze met hun eigen taal terecht konden. Dat was vaak de handelstaal, die voor velen bekend was.

Vooral na de Reformatie kwam er een grote verandering. De protestantse landen waren ingesloten door een band van Rooms-Katholieke en Orthodoxe gebieden. Men vond het wel wat gortig om aan andere Christenen het Evangelie te verkondigen. Rondom de eerste schil lag een tweede, de islamitische wereld. Die had het Evangelie weliswaar hard nodig, maar daar was veel vijandigheid en geslotenheid. Nog maar een stukje verder dan...

En zo kwam de zending terecht in zeer verre streken, meestal de koloniën van Europese landen. Daar waren een rechtssysteem en veiligheid, en die landen waren ook bereikbaar. Maar de talen en culturen verschilden radicaal van die van de moederlanden van de zendingswerkers. Het duurde jaren voor een nieuwkomer om zich dat eigen te maken. Maar omdat de gemiddelde zendeling nauwelijks 4 jaar in dienst bleef, waren er maar weinigen die ooit leerden zich goed aan te passen en verstaanbaar te maken.

Omdat de westerse zendeling een zekere luxe met zich meebracht, woonde hij beter dan, en meestal ook afgescheiden van, de landsbevolking. Deze beschouwde hem vaak als een outsider. De zendeling kon immers naar zijn land terugkeren als hij dat wenste, hij kon naar een gerenommeerd ziekenhuis en zijn kinderen zaten op een andere en betere school dan de lokale kindertjes. Bovendien werd hij (meestal) beschermd door de koloniale autoriteiten. Dat maakte de eenwording met de lokale gelovigen heel moeilijk. (De Rooms-katholieke missie deed dit overigens beter, mede doordat de missiepaters zich vaak levenslang in het nieuwe land vestigden, omdat ze in groepsverband leefden, en in die groepen werden al snel lokale gelovigen als medewerkers opgenomen.)

Het voorbeeld van de Nestorianen

Het is helaas aan de aandacht van velen ontsnapt, dat de grootste zendingsbeweging aller tijden plaatsvond van 600 tot ongeveer 1100, vooal in Azië. Vele miljoenen in Mongolië, China, Centraal-Azië, India, Afghanistan, Arabië, tot in Azerbaidzjan en de Hoorn van Afrika toe waren gelovig. Hoe dat in zijn werk ging? Je had geen banken voor het geldverkeer, geen post of telefoon. Hoe moest je dan met die werkers in contact blijven? Je kon hen zelfs niet ondersteunen. Ze verdienden hun kost als handelaren, of ze trokken op met die handelaren, die hen ter plekke konden ondersteunen. Ze waren, ook als handelaar, gepokt en gemazeld in het geloof. Daar had hun thuiskerk voor gezorgd. Ze bedropen zichzelf en de kerk die uit hun activiteiten voortkwam.

Een handelaar kan alleen maar in het buitenland wonen, als hij daar de kost kan verdienen. Hij zal zich moeten aanpassen en andere talen moeten leren, anders mislukt hij. Vaak zal hij iets opbouwen, wat het hem onmogelijk maakt weer te vertrekken, zeker niet zolang hij niet oud is. Hij is een blijvertje én cultureel aangepast, zonder ten laste te komen van zijn moederkerk.

Dat is opvallend. De grootste zendingsgolf aller tijden gebruikte de zendingsprincipes die je in het Nieuwe Testament vindt. Die zijn blijkbaar enorm vitaal.

Zendingswerk is werk aan de basis

We hebben in het Westen de neiging zending en evangelisatie te zien als het werk van specialisten. Dat is dé zondeval van de zending. Werk, dat van nature thuis hoort in de handen van alle gelovigen, wordt verheven tot een beroepsactiviteit. De gelovigen worden tot nietsdoen gedoemd (zij kunnen ‘het’ immers niet), en de doeners krijgen een veel te zware taak toebedeeld, want ze moeten ‘alles’ doen. Dat is heel ongezond en in feite onwerkbaar.

“Eén ding weet ik..., ik was blind, en nu kan ik zien...” (Johannes 9:25) Dat is een duidelijk getuigenis van iemand die nog hoegenaamd niets van Jezus wist, behalve dat hij door Hem genezen was. Dat is zending/evangelisatie ten voeten uit. Wie iets te vertellen heeft, moet dat doen; wie niets te vertellen heeft, moet z’n snater houden. We moeten de gewone gelovige weer aan de praat krijgen. Daar heb je geen geld voor nodig, maar wel geloof en een enorme verandering in de kerken. De zondeval van de zending staat niet los van de zondeval van de kerk, die weinig meer gemeen heeft met de kerk uit de Bijbel.

Die eenvoudige gelovige trekt de hele wereld over, voor zijn werk of op vakantie. En overal waar hij komt, heeft hij iets te vertellen: “Eén ding weet ik...” Hij vindt open deuren voor het geloof, hij ziet vrienden tot geloof komen en met hen sticht hij een nieuwe kerk. Dat heeft hij thuis al geleerd en dat past hij ook in den vreemde toe.

Allicht heb je - naast vrijwilligers - ook andere werkers nodig. Er blijft behoefte bestaan aan specialisten op allerlei vlak, leraars, vertalers en hulpverleners. Maar laat de ‘gewone’ gelovige het grote werk doen. Professionele zendingswerkers zijn niet de voortrekkers van het werk, maar de hulpbrigade.

Dat betekent ook dat je de focus van de zending verschuift naar de centra van cultuur, economie en toerisme. Sla je dan geen grote gebieden over? Ja zeker. Dat deed Paulus ook in Handelingen. Maar wanneer er in die centra levendige, getuigende kerken komen, kunnen zij de boodschap in hun eigen land en omgeving verder verbreiden. Iets nieuws verspreidt zich gewoonlijk vanuit het centrum naar de periferie. Teveel zendingswerk vindt plaats in de periferie, en dat veroorzaakt veel verlies aan effectiviteit. De grote centra beschikken over macht en (enig) geld. De kerken daar kunnen al snel zichzelf bedruipen. En omdat ze de lokale taal/talen spreken, kunnen ze heel effectief het Evangelie verbreiden. Bovendien zijn ze burgers van het betreffende land, wat hen veel administratieve rompslomp en onzekerheid bespaart, waar zendingswerkers mee te maken krijgen.

De kracht en effectiviteit van de zending staat en valt met de effectiviteit van de kerken hun eigen leden te vormen tot waarachtige disicipelen.

Zendingsbesturen en deputaten zending

Zendingsorganisaties in het zendende land bepalen wat er moet gebeuren op het zendingsveld dat ze nauwelijks kennen. Dwaas! Ze kunnen geld werven en uitgeven, ze kunnen controle daarop uitoefenen, maar hoe ter wereld kan een bestuur in Nederland bepalen wat er precies moet gebeuren in een ver afgelegen gebied? Net zo min als een bestuur in Karachi of op de Fiji-eilanden evangelisatiewerk in Rotterdam-Pendrecht kan leiden, kunnen Pendrechters dat bij hen doen. Leiding moet ter plekke gebeuren. Werkers, ook buitenlandse, worden begeleid door een lokale kerkenraad of bestuur - als het goed is.

Je kunt werkers in den vreemde materieel en moreel ondersteunen op afstand. Maar voor advies en controle heeft hij lokale mensen nodig, die zien wat er gebeurt en die de omgeving en de mensen kennen.

Een zendeling is een zelfstandige

Een werker in den vreemde dient zijn eigen koers uit te zetten. Hij moet zijn eigen open deuren zoeken, zijn gaven talenten afstemmen op de mogelijkheden, uitvinden met wie hij goed kan samenwerken etc. Deden de apostelen dat niet zo volgens Handelingen? De neiging om alle taken vast te leggen is weinig zinvol. Dat wordt tenslotte een mentaal harnas. Het is beter de werker veel armslag te geven, zodat hij heel flexibel zijn weg kan zoeken.

Wil iemand ‘de zending in’, zoals dat heet? Laat hij gaan, maar op eigen verantwoording en zonder al dat gezeur van eerst uitgekozen en aangesteld worden. Laat hij een beroep leren dat hij elders kan uitoefenen. Als hij besluit om een groot deel van zijn inkomen af te staan voor het zendingswerk dat hij doet, is hij een zelfvoorzienende eenheid. Hij kan dan met een beetje ijver al snel 40 of 50 uur per week aan het eigenlijke zendingswerk besteden. Daar is geen organisatie voor nodig. Alleen is het gewoonlijk beter als een werker niet probeert om zendingsfulltimer te worden. Minder afhankelijkheid en vrijheid van handelen zijn belangrijke zaken..

Omdat ‘zending’ behoort tot het normale leven van een gelovige, kun je alle romantiek eraf halen. Het is alleen maar abnormaal als een gelovige geen zendeling is.

Waar nodig kan iemand verder geschoold worden: theologisch, talenkennis etcetera. Ook kan iemand besluiten zich niet blijvend ergens te vestigen, maar rond te reizen, zoals de apostelen dat deden. (Veel zendingswerk is te statisch.)

Natuurlijk is het van belang dat diegenen die specialistisch werk doen of die aan langlopende projecten werken een vaste aanstelling krijgen, mede in verband met verzekeringen, controle op de geldstroom en adviezen, verblijfsvergunningen e.d. Voor zulke taken blijven zendingsgenootschappen nodig. Maar al te vaak zenden ze dure werkers uit voor werk dat lokale werkers veel beter en goedkoper kunnen doen. Dat is geldverspilling.

De carrière zendeling

Enkele suggesties voor zendingsorganisaties:

* Neem niemand aan die niet van plan is minstens tien jaar weg te blijven.

* Neem niemand aan, die geen uitzonderlijke bijdrage aan kerk en evangelisatie in eigen land heeft geleverd. (Wie hier niet kan voetballen, kan dat elders ook niet.)

* Geef geen al te vaste taakomschrijvingen, maar wel de principes die iemand zelfstandig moet toepassen.

* Laat de begeleiding plaatsvinden door lokale gelovigen.

* Stuur niemand die lokale gelovigen werk uit handen neemt.

* Stuur de geldstroom zo, dat je daarmee lokale werkers aan het werk kunt zetten, in plaats van dure zendingswerkers uit te zenden.

* Laat velen uitgaan, maar op eigen gelegenheid, op afstand geadviseerd door de eigen zendingsorganisatie.

* Stuur alleen specialisten uit, waaraan een grote behoefte bestaat.

* Werk samen met bedrijven, onderwijsinstellingten etc., zodat nieuwe werkers hun eigen salaris kunnen verdienen.

* Werk samen met bedrijven om werkgelegenheid te creëren in arme gebieden. Dan hoef je geen ziekenhuis of school te bouwen; dat kunnen de mensen dan zelf.

* Stimuleer medegelovigen om bedrijven in arme landen op te zetten en werk met hen samen in de zending - maar laat ze financieel onafhankelijk opereren.

* Stel duidelijke doelen. Werkers die (zonder afdoende reden) ‘de norm’ niet halen kun je niet gebruiken.

Dit zijn dan enkele ideeën, opgedaan na bijna 40 jaren ervaring met de evangelieverkondiging in andere landen, vooral India, Nepal, Dem. Rep. Kongo, Ivoorkust, Ghana, Somaliland, Peru e.a. Begin 2006 schreef ik er al eens over in het N.D.: “Het is tijd voor de bekering van de zending” (te vinden onder ‘artikelen’ op mijn site).

 

Bram Krol, 2 mei 2014