Het Oosterdom  1

  1. Over de religies van India

 

Inleiding

India beschouwt zichzelf als een Hindoeïstisch land. Voor het gemak wordt daar dan ook het Boeddhisme toe gerekend, dat voor een groot deel dezelfde uitgangspunten heeft. Je kunt het Hindoeïsme zien als een mozaïek van heel verschillende stromingen. De volksreligie heeft weinig gemeen met het meer filosofische Hindoeïsme. Dat is in feite het beste te omschrijven als animisme. 40& van alle inwoners van India (540 miljoen mensen!) zijn feitelijk animisten. Maar omdat ze enkele Hindoefeesten vieren en nog enkele andere landsgebruiken hebben, worden ze gemakshalve tot het Hindoeïsme gerekend. (Dat is net zoiets als een Confucianist onder de gereformeerden scharen...)

 

Slechts door filosofische trucs kun je India als een Hindoestaat beschouwen. Dat is: ieder die niet een Moslim of een Christen is, reken je automatisch tot het Hindoeïsme. Afgoden, godsvoorstellingen, rituelen, verering, wetten..., je stelt dat het uiteindelijk allemaal om hetzelfde gaat. Ook wie in goden of geesten gelooft, gelooft daarmee in het onpersoonlijke ‘Al’, dat die goden en geesten te boven gaat.

 

De lagere kasten en allerlei stammen en outcasts zijn animistisch. Veel mongoloïde bergstammen in het Noorden zijn Boeddhistisch (of toch ook animistisch?) Het geloof van voornamelijk de twee hoge kasten is dan het Hindoeïsme. Het animisme gelooft in heilige voorwerpen, geesten en dergelijke en heeft niets van het verheven filosofische Hindoeïsme. Trouwens, ook allerlei Hindoegebruiken hebben weinig gemeen met dat filosofische geloof. De drie grote monotheïstische religies lijken meer op elkaar dan animisten op filosofische Hindoes. Toch kun je Jood, Moslim en Christen niet overeen kam scheren. De inwoners van India dan wel?

 

De religies van India, hoe verschillend ook, hebben over het algemeen enkele gemeenschappelijke uitgangspunten. Dan ga ik uit van de officiële religies. Het animisme heeft geen eigen leer of filosofie. Ik vat die religies samen onder de term: Oosterdom. Oosterse religies zijn: het Hindoeïsme, Jaïnisme, Sikhisme, Tantrisme en Boeddhisme. Je kunt daar ook bekende stromingen in het Westen onder scharen, zoals de Transcendente Meditatie, de Hare Krishna beweging en de al oudere theosofie. Deze religies staan in elkaars verlengde. Veel van hun aanhangers vermengen allerlei stromingen en opvattingen, en scheppen zo hun eigen waarheid. Je bent niet of-of, maar vaak en-en. Omdat het geloof zeer persoonlijk beleefd wordt, ben je geen lid van een religieuze groepering. Je hoort bij de oosterse wereld en wordt ‘dus’ gerekend tot het Oosterdom.

 

Er zijn ook overeenkomsten tussen de Tao uit China en de Oosterse religies.  (Dat doet bijvoorbeeld Fritjof Capra in zijn befaamde: ‘The Tao of Physics’.) Maar die overeenkomst voert me te ver. Mijn ervaringen stammen uit India en Nepal, waar ook de bakermat van veel in het Westen nieuwe stromingen ligt. Het Confucianisme en de Shinto van Japan komen ook uit het Oosten, maar zijn wezenlijk anders.

 

Het Hindoeïsme heeft geen stichter (anders dan het Boeddhisme), maar is in de loop van vele eeuwen ontstaan. Haar aanhangers beschouwen het als een onaantastbare en eeuwige waarheid. Sommigen noemen het een goddelijke wijsheid. Maar vreemd genoeg ziet men die god niet als eeuwig en zeker niet als almachtig. God of de goden zijn volgens de Hindoeïstische leer voortgekomen uit materie en geest. Die twee zijn wel eeuwig.

 

Omdat premier Modi het Hindoeïsme tot de verplichte religie van alle inwoners van India wil verheffen, wordt het heel actueel om deze religie nader te bezien. Een en een kwart miljard mensen, die verplicht Hindoe zijn, opgesloten in hun mentale gevangenis... De staat bepaalt wat u mag geloven. Gaat India Pakistan in fanatisme inhalen?

 

Er is in de Westerse wereld een grote invloed van allerlei stromingen die behoren tot het Oosterdom: New Age en (de Westerse vorm van) Yoga, en ook Boeddhisme, Tantrisme en nog meer. In het dagelijkse leven krijgen velen ermee te maken. Maar wat is het eigenlijk?

 

Deze studie is nogal omvangrijk en daarom bied ik hem in twee delen aan. Dit eerste deel gaat over de kenmerken van Oosterse religies in het algemeen, de tweede gaat dieper in op enkele afzonderlijke richtingen. Dit zijn grote, brede lijnen. Het zijn samenvattingen, observaties en kritieken, die punt voor punt nader uitgewerkt dienen te worden. Dit is bedoeld voor wie in vogelvlucht wil weten waar het over gaat.

 

Kenmerkend voor het Oosterdom

Kenmerkend voor het Hindoeïsme zijn enkele algemene opvattingen, hoe ver de verschillende filosofische stromingen ook uiteenlopen (dat is iets anders dan de talloze animistische volksreligies). Ik noem een aantal opvattingen die typerend zijn voor Hindoeïsme, Boeddhisme. Tantrisme, Yoga e.a.:

  1. Zielsverhuizing; een mens wordt steeds opnieuw geboren in telkens nieuwe levens
  2. Karma, de opeenstapeling van goede en kwade effecten van onze daden, die de kwaliteit van ons huidige leven en van toekomstige levens bepaalt
  3. Monisme; uiteindelijk is alles wat er bestaat en alles wat we waarnemen of bedenken de uiting van een onderliggende eenheid van alles wat bestaat
  4. Verlossing als bevrijding van alle lichamelijkheid en emoties; slechts wanneer die er niet meer zijn is er sprake van moksha, nirvana, verlossing
  5. Onwetendheid van het voorgaande is het grootste menselijke probleem, niet zonde
  6. Verlossing is het gevolg van geestelijke technieken die de mens moet leren en zelf moet uitvoeren. Alleen de ‘wetenden’ zijn hiertoe in staat.

 

Zielsverhuizing

Het leven eindigt niet met de dood, maar wordt vrijwel eindeloos voortgezet. Hemel en hel zijn slechts tijdelijke tussenstadia. Voor deze opvatting van zielsverhuizing wordt geen bewijs geleverd. Ook staat er niets over in de oudste heilige boeken van het Hindoeïsme, de vier Veda’s. Pas later is die overtuiging opgekomen en algemeen aanvaard. Het behoud van zielen is net zoiets als de wet van behoud van energie in de natuurkunde. Algemeen wordt verondersteld dat mensen, onder bepaalde ideale omstandigheden, zich tal van zaken van vorige levens kunnen herinneren. Uiteindelijk is de verlossing het stopzetten van deze elkaar steeds opvolgende geboorten. Wie de moksha bereikt, wordt niet meer herboren.

 

Die reeks van steeds herbegonnen levens heet: reïncarnatie. Sommigen zullen dit als iets aangenaams beschouwen. Je kunt alle leuke en mooie dingen nog eens herbeleven. Maar je weet gewoonlijk niets van de veronderstelde eerdere levens. Bovendien moet je dit niet bezien vanuit het oogpunt van leuk. Je bent het slachtoffer van het kwaad uit een zogenaamd vorig bestaan. Maatschappelijk uit dat zich in een grote mate van onbarmhartigheid tegenover de armen en zwakkeren, gehandicapten en pechvogels. Wat je overkomt is het logische gevolg van wat eerder gebeurde. Waarom zou je mensen betreuren of helpen die hun lot aan zichzelf te wijten hebben? Word je bestolen, raak je verlamd, word je blind? Eigen schuld, dikke bult... Dat is de onbarmhartigheid van vooral het Hindoeïsme.

 

Karma

Alles wat we doen heeft een goed of een slecht gevolg. Die gevolgen zijn slechts voor een deel zichtbaar, maar er zijn ook onzichtbare gevolgen die zich vastzetten in ons karma en onze situatie in een later bestaan beïnvloeden. Het karma is het effect op het individu van zijn eigen daden. Dat zal grotendeels pas blijken in een volgend bestaan. Wie een positief karma heeft verworven, komt in een volgend leven wat hoger op de maatschappelijke ladder te staan; wie een slecht karma heeft zal een slechte start in een volgend bestaan maken. De een wordt rijk en in een hoge kaste geboren, de ander komt ter wereld als een arme sloeber. Om die reden was er een vaste overtuiging in India (en dat vind je nog steeds bij velen) dat je armen, zieken en zwakken niet hoefde te helpen. Dat was de straf die ze ondergingen voor fouten uit hun verleden...

 

Karma werkt automatisch. Er is geen god die bepaalt of iemand acceptabel of verwerpelijk is. Er is ook geen vaststaande morele orde waaraan je kunt afmeten wat iets toevoegt aan het positieve of negatieve karma van een persoon. Je kunt ook niet aanvoelen hoe het er met jezelf voorstaat. Ieder verzamelt positieve en negatieve punten. Sommige zaken, als het uitspreken van bepaalde klanken als ‘aoem’ voegen iets positiefs toe; het bezoek aan een tempeltje misschien ook, maar mocht je vergeten wierookstokjes te branden of met een bel te rinkelen, dan zou dat weleens een flink minpunt kunnen opleveren. Of hulpverlening iets oplevert, of studie? Misschien. Maar je weet het nooit zeker...

 

Omdat het onbekend is, wat precies het karma beïnvloedt, en hoe het individu er voor staat, is de leer van het karma een soort geheimleer. Je kunt mensen van alles doen geloven. Je kunt van alles veronderstellen. Maar wat is waar? Dat valt niet na te gaan. 

 

De manier waarop we terugkomen op aarde en het moment waarop dat gebeurt, wordt bepaald door ons karma -  het saldo op onze geestelijke boekhouding. Dat karma is onpersoonlijk, onveranderlijk, onkenbaar en onaantastbaar. Geen god, geest of duivel kan daar iets aan veranderen. Zelfs degenen die in een god geloven (Yoga veelal), zien deze godheid als zwakker in macht dan het karma. Eigenlijk is het onpersoonlijke karma de machtigste godheid van het Hindoeïsme.

 

Monisme

De uiteindelijke bestaansgrond kan met verschillende termen worden omschreven, al naar gelang van de oosterse stroming die iemand aanhangt. Dit heet: Brahman, god, het Al, de geest enzovoorts. De samenbindende gedachte is dat uiteindelijk alles wat bestaat een uiting is van een onderliggende uiteindelijke waarheid/kracht. De mens is geneigd zich te verslingeren aan het zichtbare, tastbare, eetbare, zijn successen, kennis, relaties, werk en noem maar op. Dat is misleidend. Daar ligt zijn uiteindelijke vreugde niet en ook niet zijn uiteindelijke bestemming. Dat is de versmelting – door geestelijke oefeningen – met het Al. Nu zullen de meeste Oosterse stromingen niet stellen dat alles een en hetzelfde is (dat is de letterlijke uitleg van monisme), maar wel dat er een onderliggende uiteindelijke eenheid is, die allesbepalend is. Ik noem dat, om niet te vervallen in heel verfijnde onderscheidingen, voor het gemak: monisme. Dit betekent dus niet: alles is hetzelfde, maar, uiteindelijk blijft alleen het ‘Al’ over.

 

De Oosterse religies zijn verzamelingen van honderden stromingen. Sommige daarvan geloven in een persoonlijke God. De mens moet Hem dienen. Hun geloof vertoont soms veel overeenkomst met het Christendom. Maar in alomvattende filosofisch-religieuze opvattingen (die enorm veel invloed hebben) wordt dit weg verklaard. God is niet persoonlijk, maar om aan de beperkingen van de mens tegemoet te komen kan het onpersoonlijke ‘Al’ als een persoonlijke God worden voorgesteld. (Wie geeft dat recht en wie komt aan wie tegemoet?) Uiteindelijk gaat het er in het Oosterdom niet om in wie je gelooft, maar dat je gelooft. Dat geloof brengt automatisch bepaalde vruchten voort.

 

Over het algemeen ziet men de goden niet als eeuwig (of als niet bestaand). Wat eeuwig is zijn twee zaken: materie en geest. Maar die geest is onpersoonlijk en onkenbaar.

             

Het Oosterdom kent een absolute scheiding tussen materie en geest. Het ene is fout en de oorzaak van alle problemen. Het tweede is begerenswaardig, maar moeilijk te verkrijgen. Deze tweedeling vond je in de eerste eeuw al bij de stromingen van de Gnosis (kennis), een soort geheimleer die door verschillende stromingen werd verbreid. Ook hier moest de mens bevrijd worden van het lichamelijke en materiële. De Bijbel waarschuwt ertegen: “... Wend u af van ... de ten onrechte zo genoemde kennis.” (1 Timotheüs 6: 20) Verlossing vindt plaats in deze wereld, niet daarbuiten volgens het Christelijke geloof. Die scheiding tussen het materiële en geestelijke ligt ook ten grondslag aan het Oosterdom.

 

In het Christendom is het grote probleem, waarvan de mens verlost moet worden, de zonde. Zonde is een verkeerd omgaan met het leven. Maar in het Oosterdom is het grote probleem het leven zelf, en de mens moet van het leven verlost worden. Het leven zoals we het om ons heen zien en het zelf beleven, is eigenlijk de moeite niet waard. Het is een verleidelijke illusie, waar je vanaf moet zien te komen.

 

Verlossing

Een mens moet niet verlost worden, maar zichzelf verlossen. Dat bereikt hij door geestelijke oefeningen, waarin hij begeleid wordt door een leermeester (goeroe, filosoof, heilige). Dat zal iemand alleen niet lukken. De oefeningen moeten iemand los maken van de dagelijkse zaken, alle wensen, lusten, relaties, wensen, doelen en ervaringen. De steeds ‘heiliger’ wordende persoon keert zich steeds meer in zichzelf. Wanneer al die aardse banden verbroken zijn, komt hij in een staat van vereniging met het Al. Hij verliest alle persoonlijkheid. Dit wordt voorgesteld als een enorme rust en gelukzaligheid, maar tegelijk wordt van deze staat gezegd dat het vreugde noch verdriet is, leven noch dood, bewustzijn noch onbewustheid. De verlossing bestaat er vooral uit dat deze persoon niet meer opnieuw geboren zal worden. Aangezien mensen in deze staat niet meer communiceren, is het maar de vraag waar al hun inspanningen hen toe gebracht hebben. Dit heet moksha in het Hindoeïsme en nirvana in het Boeddhisme. Alle oefeningen in Hindoeïsme, Boeddhisme, Tantrisme en Yoga zijn ertoe bestemd om de mens al ver van tevoren het stervensproces te laten meemaken, zodat hij ermee vertrouwd raakt en zich er wel bij voelt.

 

De vraag blijft bestaan: Hoe weet je dat deze vorm van ‘verlossing’ inderdaad een verbetering is, en een verlossing? Is het niet zo dat de weinige verlosten slachtoffers zijn van een verkeerde leer, die met de verwachting van iets beters uiteindelijk bedrogen uitkwamen?

 

Verlossing staat vrijwel los van alles wat de mens in zijn leven heeft uitgespookt. Fouten hebben zijn karma misschien aangetast, maar daar kun je met meditatie en zelfinkeer weer bovenop komen. In extreme gevallen kan dat betekenen, dat voor de moordenaar, kinderverkrachter, fraudeur en doodrijder slechts één regel geldt: Vergeet alles en kom tot rust. Of er rust is voor hun slachtoffers telt niet mee. Of er recht is gedaan, telt niet mee. De moordenaar ontloopt zijn straf, de pedofiel zegt zelfs geen ‘sorry’, de fraudeur houdt zijn geld en wie een ander heeft doodgereden, ongeacht de schade die hij aanrichtte, schuift zijn schuld opzij… Dat is het hyperindividualisme van het Oosterdom. (Maar: in bepaalde stromingen moet de zondaar wel berouw tonen en oefeningen doen om zijn zonden teniet te doen.)

 

De noodzaak van zelfinkeer – ter wille van de verlossing - doemt de mens tot passiviteit boven activiteit en emotieloosheid boven emotie. De veronderstelling dat in deze langdurige zelftrance enig goed ligt weggeborgen (vooral als je in die ‘trance’ sterft…) is een loze belofte. Iemand die sterft krijgt vaak mooie, vreedzame impressies. Misschien constateert het oosterse denken slechts dat feit. Maar is sterven daarom beter dan leven? Is de felbegeerde moksha soms zo’n bijna-dood ervaring, een bijzondere ervaring waaraan je geen conclusies kunt verbinden? Lijdt zelfkastijding en zelfkwelling echt tot iets goeds?

 

Verlossing is voor de massa onbereikbaar. Voor haar geldt: Niemand ontsnapt aan de wet van oorzaak en gevolg, dus ook aan de reïncarnatie.

 

Onwetendheid, het grootste probleem

De mens raakt verblind, verward en geboeid door de uiterlijke wereld. Hij vergeet daardoor dat hij vastzit aan het vergankelijke en verliest zijn kennis van het ‘Al’, het onvergankelijke. Zijn grootste probleem is de materiële wereld en zijn omgang daarmee. Maar hij weet het niet, waardoor hij op de verkeerde weg voort blijft gaan. Natuurlijk bestaan er ook zonden (moord, diefstal, geweldpleging enz.), maar die kunnen – maar dat is niet zeker – hun sporen nalaten in het karma van die mens, de verzameling van de effecten van al zijn goede en slechte daden. Maar zonden zijn niet anders dan een uiting van de algehele denk- en leeffout van de mens, die zich uit in zijn binding aan het materiële. Het denken van de mens moet worden omgeturnd. Hij moet loskomen van alles wat hem interesseert, wat hij waardevol vindt en waar hij zich druk om maakt. Dat is zijn onwetendheid die moet worden opgeheven. Het opheffen van die onwetendheid is de taak van de religie. (Vooral in tantra – maar ook elders in het Oosterdom - bestaat de neiging om zaken als aanranding, onmatigheid, geweld en doodslag weg te poetsen als een foutje onderweg naar de vervolmaking. Die zaken zijn namelijk niet het grote probleem, maar de onwetendheid van de dader over de manier waarop hij naar verlossing moet streven.

 

Ter wille van zijn karma moet de mens wel een aantal jaren werken en voor zijn gezin zorgen. Daarna komt er een moment waarop hij zich aan die taken kan onttrekken, om zich aan geestelijke zaken te wijden. Dan kapt hij alle aardse bindingen af, snijdt de contacten door, verzaakt zijn maatschappelijke en economische verantwoordelijkheden – en wordt dan pas heilig. Dit is een reden voor de achtergebleven toestand van India in de afgelopen eeuwen. Nu is het land sterk aan het moderniseren, maar velen vragen zich af of het oude Hindoeïsme die modernisatie zal kunnen overleven.

 

Verlossing als doe-het-zelf project

De vertaling van moksha met ‘verlossing’ geeft een verkeerd beeld. Een mens wordt niet verlost, maar in de moksha verlost hij zichzelf. Het is een natuurwet. Wie de goede methode volgt, verkrijgt automatisch ‘moksha’. Daar is geen geloof voor nodig. Er is geen hogere macht. Er bestaat geen God noch een vaste morele orde. Je kunt je positieve ‘karma’ nooit nameten of aanvoelen. Het enige, waarop de religie is gericht, is de mens losmaken van al zijn bindingen.

 

Er is echter wel een manier om je karma te boven te komen. Dat doe je door het volgen van zware geestelijke oefeningen. Zo gaat dat in het Hindoeïsme en Boeddhisme. Maar dat is eigenlijk alleen te doen voor de relatief rijken. Het Tantrisme biedt een snellere weg naar het uiteindelijke succes, zonder al dat vasten en andere vormen van zelfkastijding. Maar ook zij gelooft erin dat de mens uiteindelijk alle bindingen en verantwoordelijkheden te boven moet komen, om op te gaan in het ‘zalige niets’. Wie dat doet, kan ontsnappen aan een slecht karma, en die ontsnapt zelfs aan de kringloop van de zielen, de reïncarnatie. Mensen van lagere kasten maken vrijwel geen kans op deze verlossing. Alleen al het leren kennen van de diepere boodschap van de Veda’s en enkele andere heilige boeken vergt minstens 16 jaar intensieve studie. In het Hindoeïsme. Maar ook het Tantrisme vereist een hoge intelligentie en veel studie.  Verlossing is een privilege voor de ontwikkelde, rijke persoon uit de hogere kasten.

 

Of het werkt? Zijn er verlosten? Sommigen stellen dat dit uiterst zeldzaam voorkomt. In het Boeddhisme menen velen dat er buiten Boeddha om misschien niemand is... Anderen tellen ruimer, maar het blijft een zeldzaamheid. Het Oosterdom is een treurige bedoening. Slechts de leer van de reïncarnatie biedt enige hoop. Misschien dat het over 10.000 levens een keertje zal lukken?

 

Wie een verantwoordelijk leven leidt, wie een grote weldoener van de mensheid is, een grote denker, een harde werker, een goede moeder, een groot staatsman... Allemaal vergeefse moeite. Een groot geloof? Een maatschappelijk of geestelijk voorbeeld? Dat helpt niets, wanneer je de weg naar de totale zelfverloochening (inclusief het opheffen van alle relaties, studie en verantwoordelijkheden) niet gaat. Het Hindoeïsme is op dat punt keihard en onverbiddelijk. Geloof, hoop en liefde zijn slechts bijzaken.

 

 

B            Kritiek op het Oosterdom

 

Inleiding

Naast de kritieken die al doorklonken in het voorgaande even een opmerking vooraf. Er valt namelijk ook veel goeds te zeggen van het Hindoeïsme, althans van de hogere filosofische stromingen. Die verschillen mijlen breed van het volksgeloof, dat ik als bijgeloof en afgoderij zie. Bij een andere gelegenheid is het goed eens te schrijven over de lessen die we kunnen leren van de diverse filosofische scholen van India. Maar dit artikel is apologetisch. Ik probeer een standpunt in te nemen tegenover het Oosterdom vanuit een Christelijke visie.

 

De oosterse religies hebben een hele set aan geloofspunten die op geen enkele wijze ‘wetenschappelijk’ zijn. Niets daarvan is bewijsbaar of zelfs maar aanwijsbaar, ook al doet men vaak moeite aan te tonen dat een bepaalde stroming wetenschappelijk is...

 

Mooi voor de rijken en bevoorrechten, maar alle anderen...

Een ander punt van kritiek op het Oosterdom is, dat ze nogal elitair is. Slechts wie tijd heeft om te studeren, te mediteren en zich diep te bezinnen, komt in aanmerking voor de moksha, het nirvana. Die heerlijke nietsheid (want je kunt er niets van weten of begrijpen, niets ervaren, niets ontwaren…) is onbereikbaar voor de mens die hard moet werken voor zichzelf en de zijnen. Het Hindoeïsme is een genadeloze religie. De goden grijpen niet in. Het Al is onpersoonlijk en dus gewetenloos en genadeloos. Het interesseert zich niet in wat er uiteindelijk met de mens gebeurt. Het kan niets doen aan een verkeerd karma. Zelfs iemands lage status (lage kasten bijvoorbeeld) wordt verweten aan de persoon zelf. Die heeft in een vorig leven niet goed zijn best gedaan en moet daar later – noodgedwongen en onvermijdelijk – voor boeten.

 

Wat is waar?

Ieder maakt desnoods zijn eigen leer. Het Oosterdom is hyper-individualistisch. Er is geen vaste waarheid. Waarheid is wat je zelf denkt en voelt. Heel aardig kom je dat tegen bij de Hare Krishnabeweging. Deze probeert te laten zien dat ze gebaseerd is op de Veda’s, de (meest) heilige boeken van India. Dat brengt hen tot een typisch Indische, kromme redenering. Men leert: “In de Bahgavad-gita zegt Krishna: Het werkelijke doel van Vedisch onderzoek is het vinden van Krishna.” Maar Krishna komt er zelfs niet in voor. Hoe zit dat dan? Ook daar is een oplossing voor, want de godheid openbaart zich in vele vormen, die ten diepste toch één zijn. (‘Sri Isopanisad’, pag. 6, uit een rede van haar stichter.) Maar zo kan ieder zijn eigen gelijk uit de Veda’s halen. Je zegt iets anders dan wat er staat, en zegt: ‘Maar het was eigenlijk zo bedoeld als ik het zeg.’ In dit geval wordt Krishna een hoofdgod, een soort Christusfiguur.  Het had ook een andere godheid kunnen zijn.

 

Ieder gelooft op zijn eigen manier. Je kiest je eigen tempeltje, je eigen geestelijke leraar, wie niet bidden wil, kan anderen het laten doen, je beschouwt een moord als een betrekkelijk klein foutje, maar je maakt er een punt van dat je vergeten bent te mediteren, en vreest dat dit wel eens heel slecht kan uitwerken voor je toekomst... Een ander ziet dat weer anders. Dat moet ieder maar voor zich uitmaken. Ieder heeft zijn eigen waarheid. Maar het karma houdt zich aan een eeuwig geldende vaste waarheid, maar onbekend voor de mens. En: Aan het ‘Al’ kun je niet ontsnappen, hoewel het zowel bestaat als niet bestaat. Dat is een denkertje volgens de Oosterse filosofen, een dwaasheid volgens mij.

 

Uiteindelijk is ‘waar’ wat je zelf gelooft. Dat is volgens mij een leugen.

 

Bijzondere godsverschijningen

De goddelijkheid van God ligt in Oosterse religies anders dan bij de monotheïstische religies. God kan zich op vele wijzen openbaren, vooral ook door te verschijnen in menselijke vorm. Dat zijn de avatars (godsverschijningen), die vooral gebeuren op een moment dat de mensheid speciale leiding nodig heeft. Zelfs het Boeddhisme, dat officieel niet in een godheid gelooft, kent deze verheven persoonlijkheden, waarvan de Boeddha er maar een was. Je zou kunnen stellen dat het Oosterdom God verlaagt en de mens vergoddelijkt. Ook elke persoon die de staat van moksha/nirvana bereikt, is zo verenigd met het ‘Al’ dat hij bovennatuurlijke krachten en inzichten verkrijgt. Het ‘Al’, dat onpersoonlijk is, krijgt hier toch iets van goddelijke trekken. Of beter, de geestelijk gevorderde mens wordt een soort godheid. Dat is ook het geval in het Boeddhisme, dat je dus niet ‘atheïstisch’ mag noemen, ook al gebruikt ze zelf die omschrijving van haar leer.

 

Veel avatars worden pas eeuwen na hun dood als zodanig vereerd. Daar valt dan weinig meer op af te dingen. Door het inclusieve karakter van het Hindoeïsme wordt ook Boeddha als een avatar gezien. Boeddha was heel speciaal. Nog jaren, nadat hij zijn verlichting zou hebben bereikt, heeft hij anderen onderwezen over de goede weg. Maar dat is weer strijdig met de leer van de eenwording met het ‘Al’.

 

De vraag blijft wat je hebt aan een god of een godsverschijning, als er uiteindelijk geen god bestaat. Is het iets waard? Of is het een geestelijke storm in een glas water?

 

Een godsverschijning of gerenommeerd bedrieger?

De ver gevorderden op de weg naar moksha zijn de leermeesters van anderen. Meestal gaat het om mannen. Voor vrouwen bestaan nog veel restricties en veel stromingen geloven zelfs dat verlossing niet voor vrouwen bestemd is. Deze leermeesters hebben een verheven staat. Zij weten en zien wat voor anderen verborgen is, dus ze kunnen een bijna onbeperkte macht over hun volgelingen uitoefenen. Ze worden vaak zelfs gezien als een godsverschijning, dus met bovenmenselijke eigenschappen. Dit heeft veel aanleiding gegeven tot fraude, corruptie, geweld en seksueel misbruik. De ‘halfgoden’ waren lang niet zo onthecht aan het aardse als ze beweerden. *1

 

Door de onaantastbaarheid van de goeroes is een carrière op geestelijk vlak zeer aantrekkelijk voor bedriegers en charlatans. Er is geen enkele instantie die hun levenswijze en leer controleert. Ze kunnen vrijwel ongestoord hun gang gaan. Zij hebben een bovennatuurlijke kennis verworven, waar geen van hun volgelingen voldoende van kan begrijpen. Ze kunnen anderen hun wil opleggen, want tegenspraak is uit den boze. Ze worden niet financieel gecontroleerd en hoeven geen rekenschap af te leggen.

 

Een atheïstisch pantheon

Naast goden kent het Oosterdom nog een hele set aan geestelijke wezens, duivelen en wonderen. Ook dit is natuurlijk niet bewijsbaar, maar het speelt een grote rol in het volksgeloof, zelfs in de verhalen en woorden van Boeddha bijvoorbeeld. Dus ook in het Boeddhisme, dat zichzelf voorstelt als atheïstisch, komen geesten en duivelen voor. 

 

Uiteindelijk, als je doorredeneert, is ook het filosofische Hindoeïsme ten diepste atheïstisch. Boeddha heeft dat niet van een vreemde. En dan toch geloven in sterrenwichelarij, duivelen en geesten, hemelse helpers en dergelijke? Hoe atheïstisch ben je als je daarin gelooft?

 

Mantra

Als hulp bij een intensieve meditatie, gebruiken de oosterse religies mantra’s. Dat zijn bepaalde klanken die oneindig herhaald moeten worden. Een mantra is persoonsgebonden (zegt men) en geheim. Deze mantra’s worden, volgens de goeroes, afgestemd op het karakter van het individu. Maar dat valt flink tegen.

 

Waarom zou je een mantra geheim moeten houden? Mijn boterham smaakt me even goed of ik hem in het geheim opeet of publiekelijk. Met mantra’s ligt dat anders. De ‘geheime wetenschap’, waarover goeroes zouden beschikken, zou namelijk de ‘nauwkeurige’ klank opleveren voor een bepaald persoon. Zo krijgt ieder zijn woordje met veel aatjes of ootjes toebedeeld, en die klanken zouden precies passen bij hun karakter. Dat wordt omgeven met veel geheimzinnigheid. Maar het is gewoon humbug. Er zijn onderzoeken gedaan naar die ‘geheime’ mantra’s, en raad eens? Er zijn slechts enkele mantra’s, die steeds terugkeren en die door vele tienduizenden als hun ‘grote geheim’ worden bewaard. Dat heeft minder te maken met iemands karakter dan met de portemonnee van de goeroe. Want voor het verkrijgen van een mantra moet wel betaald worden. Sommigen mensen betalen honderden euro’s voor hun ‘hoogst eigen’ mantra Zou het iets uitmaken of je een oosters klinkend geluid maakt, of een willekeurig woord in het woordenboek prikt? Het geloof in de kracht van mantra’s lijkt nog het meest op hocuspocus.

 

De grote leugen

Wat is de waarde of kracht van de goden? In veel gevallen zijn ze weinig anders dan een model voor de meditatie. Goden zeggen niets en doen niets voor de mens. Goden stellen geen regels en geven geen hulp. Goden beschuldigen niet en spreken niet vrij. De goden van het Hindoeïsme zijn weinig anders dan jaknikkers, die de mens altijd gelijk geven. En daarmee zijn ze min of meer in de macht van de mens en voegen niets toe aan zijn bestaan. Zonder goden verandert er weinig of niets voor de mens. De goden zijn, net als de mensen, een tamelijk machteloos onderdeel van de werkelijkheid, niet de scheppers noch redders.

 

Veel aanhangers van oosterse religies geloven in een (of meerdere) persoonlijke God, die zonden vergeeft en gebeden verhoort. Maar, leggen oosterse filosofen uit, dat is slechts een manier om aan de menselijke zwakheid tegemoet te komen. Tenslotte bestaat die God niet. Maar op deze manier komen die domme gelovigen toch dichter bij de uiteindelijke waarheid. Mijn grote vraag is: Hoe kan geloof in een leugen mensen dichter bij de waarheid brengen? Dit is een onmogelijkheid. Ook het brengen van verplichte offers aan goden en geesten, strooien van bloemblaadjes voor niet-bestaande godheden, verering van waterstromen en tempeltjes... is een grote leugen volgens het filosofische Oosterdom, maar toch geestelijk profijtelijk.

 

Conclusie

Waarom is er zo weinig kritiek op de onhoudbare uitgangspunten van het oosterdom? Is dat geen teken van zwakte van het Westen in het algemeen en de kerken in het bijzonder? Het verlangen naar rust en vrede van velen is begrijpelijk. Maar de oplossing die tientallen miljoenen zoeken is door en door corrupt. Oosterse religies zijn niet bedoeld voor een vreedzaam en rustig bestaan, maar ze hebben de uitblussing van het leven als hoogste doel. De Yoga- en New Age aanhangers en zoveel meer stromingen laten zich een rad voor ogen draaien. Het Oosterdom biedt een illusie, geen innerlijke vrede (nou ja, na de dood, misschien...) Maar wie durft dat na duizenden euro te hebben uitgegeven nog te erkennen? Mensen zouden eens denken dat je niet goed snik bent.

 

Wil dat zeggen dat er niets van het Oosterdom te leren valt? Nee. Er is veel wat interessant is, diepgaand of inspirerend. Maar de uitgangspunten deugen niet. Het is de moeite waard voor theologen en filosofen om zich eens bezig te houden met de Indische filosofieën. Maar voor veroosterde westerlingen heb ik een ander advies: kappen ermee! Zij zoeken geen zware filosofie, maar houvast en rust, die uiteindelijk niet te vinden valt in een poging om het eigen leven te minimaliseren tot een verinnerlijkt heilsegoïsme.  Wat je zocht is dichter bij huis te vinden, beter en heel wat meer sociaal.

 

Die oude waarheid van het Joods-Christelijke geloof, is heel wat wijzer dan de filosofen uit het Oosten, die uiteindelijk dwaallichtjes zijn. Met Jeremia zeg ik: “..., Kijk naar de oude wegen. Welke weg leidt naar het goede? Sla die in, en vind rust...” (Jer. 6: 16)

 

 

  • Tal van Indische en Nepalese goeroes zijn veroordeeld (of werden postuum ontmaskerd) wegens verkrachting en andere zaken, evenals verschillende Tantristische propagandisten in Nederland. De bekendsten zijn: Satya Sai Baba (1926-2011, India), die zelfs in Nederland een organisatie had van volgelingen. Wereldwijd volgde hem een schare van ongeveer 50 miljoen mensen. Overal in India en Nepal kwam je zijn afbeelding tegen. Hij stelde zich voor als een volmaakte heilige, maar hij was een onverzadigbare pedofiel. Hij had in zijn appartement bij zijn dood een kapitaal aan zilver, goud en contanten van 5,3 miljoen euro. Ook in India woont Gurmet Ram Rahim Singh (geb. 1967), die in 2017 tot 20 jaar cel werd veroordeeld wegens moord, vrijheidsberoving, castratie van volgelingen en seksueel misbruik. De man was overal op tv te vinden in India en Nepal. Hij had 60 miljoen volgelingen. Maar zijn voorstelling van zaken dat hij boven elke gebondenheid stond, was slechts een illusie.

 

Een literatuuropgave vind je aan het einde van het tweede artikel.

 

Om geen verschil tussen de religies te maken, heb ik alles met een hoofdletter geschreven, behalve waar het duidelijk om een soortnaam gaat.