De kerk van het eerste begin

                  Groot en wijd verspreid

 

  1. Inleiding

Hoe groot was de kerk in het eerste begin? Waar was ze te vinden? Wat was haar invloed?

Is dat van belang? Groot of klein..., wat maakt het uit? Het is allemaal zo lang geleden. En of het uitmaakt! Dat zal ik je vertellen.

De gangbare gedachte onder deskundigen is dat de kerk t/m het jaar 100 erg klein was. Die opinie is er door kerken, scholen, boeken en zelfs omroepen ingeheid. Wel is ze na het jaar 100 flink gaan groeien (maar niemand weet hoe en waarom). Pas toen de kerk uiteindelijk door de overheid beschermd werd- na de bekering van keizer Constantijn in 313 A.D. - schoot haar ledental de lucht in.

Dat zou betekenen dat het onderwijs van Jezus, de inzet van de eerste apostelen en de uitstorting van de Heilige Geest weinig tot niets te betekenen hadden, en dat de politiek uiteindelijk doorslaggevende invloed had op de groei van de kerk. Maar in dat geval is ‘alle macht op aarde’ gegeven aan de politiek, niet aan Jezus. Dan is het geloof het gevolg van menselijke manipulaties – niet van een werking van God. Dan is God minder dan de keizer... Daarom is deze zaak van groot belang.

 

  1. Hoe kwam het zo?

De onbewezen en onbewijsbare uitgangspunten van de moderne kerkhistorici zijn op zich geen gevolg van wetenschappelijke inzichten, maar van puur ongeloof. Dit is – anders dan velen denken – niet op feiten gebaseerd. Dat brengt ons bij de vraag: Valt er wel iets te bewijzen? Kun je iets concreets zeggen over de grootte en verspreiding van de kerk in de eerste eeuw?

Die vraag leeft bij me vanaf mijn studietijd. Ik vond de argumenten van mijn professoren van Kerkgeschiedenis ontoereikend maar miste toen de argumenten om er tegenin te gaan. Er heerste een algemene opvatting die bijna wetmatig door allen gevolgd werd. Maar waarom dan? Ik wilde begrijpen wat daarvan de oorzaak was.

Tot ongeveer 1900 waren de meeste kerkhistorici overtuigd van een zeer grote en zeer wijdvertakte eerste-eeuwse kerk. Maar toen stond die opvatting al enige tijd onder druk. Vanaf ongeveer 1800 drong namelijk de opvatting van de Jansenisten *1 door, dat alle toen bekende heiligenverhalen (vaak ontstaan in de 2e eeuw) legendarisch waren en dus onbetrouwbaar.

Rond 1900 leefde de grootste van alle kerkhistorici, Adolf von Harnack (Berlijn). Zijn boeken lees je beurtelings in het Duits, Frans, Latijn en Grieks, wat ze moeilijk leesbaar maakt. Hij was ervan overtuigd dat het aantal Christenen in het jaar 100 10 à 20.000 bedroeg. Nadien ‘durft’ geen kerkhistoricus meer over een grote vroege kerk te reppen, uit angst voor onwetenschappelijk door te gaan. Ik heb zijn argumenten uit den treure bestudeerd en verwerp ze. Von Harnack probeerde de vroege kerk te verklaren vanuit de krachteloze vrijzinnige en ethische kerken van zijn tijd, zonder Geest, zonder boodschap, zonder volksbewegingen en zonder martelaren... Zijn bekendste boek is: “Die Mission und Ausbreitung des Christentums in den ersten drei Jahrhunderten”, verschenen in 1902. Hij was een kind van zijn tijd en dat bepaalde zijn opvattingen.

Probleem van Von Harnack en van de meerderheid van de hedendaagse kerkhistorici: Ze hebben de bijbelse gegevens als onbelangrijk of onbetrouwbaar terzijde geschoven. Bovendien worden de kerkvaders (de kerkelijke schrijvers uit de eerste vijf eeuwen) weggezet als bevooroordeeld en daarom onbetrouwbaar. Dat is vreemd. De getuigen die er zijn, verwerpen ze grotendeels. Hoe willen ze dan iets zinnigs kunnen zeggen over de vroege kerk?

Naast de getuigenissen van de Bijbel en de kerkvaders zijn er zeer weinig andere bronnen over de vroege kerk en zelfs die worden niet op waarde geschat. Maar op grond waarvan kun je proberen het verleden te begrijpen? Op grond van archeologische vondsten en getuigenissen uit oude tijden. De eerste zijn er niet of nauwelijks. Christenen werden vaak vervolgd, dus ze moesten nogal ‘onzichtbaar’ blijven. Gebouwen konden ze niet neerzetten. En als je dan de eerste getuigen verwerpt, houd je weinig meer over. Dan is de historische reconstructie van de werkelijkheid geheel afhankelijk van...? Van wat? Wetenschap?

Na Von Harnack kwam Rodney Stark. Zijn ideeën kregen een goed onthaal. Hij gooide hoge ogen met zijn boek: “The Rise of Christianity”, met als ondertitel: “How the Obscure, Marginal Jesus Movement Became the Dominant Force in the Western World in a Few Centuries.” (1997) De titel geeft al aan waar ik me aan irriteer. Obscure??? Stark gelooft dat in het jaar 100 hooguit enkele duizenden mensen Christen waren. Ik zal aantonen hoe absurd die gedachte is.

 

  1. Stelling

Als rebel in het gezapige wereldje van de historici, wil ik in dit artikel heel wat ‘heilige huisjes’ (of beter: onheilige...) omverwerpen. Wie het vatten kan, vatte het. Toen ik die discussie eens aanging met twee vooraanstaande professoren op een opgraving in Jordanië (een van hen doceerde aan de Sorbonne, Parijs), merkte ik hoe wankel hun theorieën over de vroege kerk waren. Dat gaf mij, als outsider, een extra impuls om deze materie nog wat intensiever te bestuderen.

Hier mijn stelling. Tegen de mode in. De bewijzen daarvoor volgen. Houd je vast! Ik kom met een heel aantal ‘vergeten’ feiten uit de Bijbel en tal van citaten uit de vroege Christelijke lectuur. DE VROEGE KERK WAS REUZE GROOT EN ZEER WIJD VERBREID.

 

  1. Bijbelse gegevens

Hier volgt een bloemlezing uit bijbelse gegevens over ons onderwerp. Er valt zeker nog meer aan te halen dan wat ik doe. Meer staat er voor de geïnteresseerde lezer in “Jesus Multinational” *2. Daarin heb ik tientallen jaren studie neergelegd. Het boek ‘doet’ ’t nog steeds. De Franse editie gaat in Afrika als zoete broodjes over de toonbank (onder predikanten). Er verschijnt nu ook een bijgewerkte Engelse editie bestemd voor de V.S., onder de titel “Jesus Supranational”. Dit artikel gaat over slechts een van de unieke stellingen in dat boek.

  1. De Bijbel spreekt van meerdere (maar naamloze) kerken in sommige streken, waarvan niets is terug te vinden op de (moderne) historische kaarten van de verspreiding van het Christelijke geloof. Zo waren er meerdere gemeenten in Klein-Azië, Syrië en Cilicië, Galilea, Samaria en Kreta. (Zie: 1 Korinthe 16: 19, Handelingen 15: 41, Handelingen 9: 31, Titus 1: 5.) In de Bijbel staat er in die gebieden slechts een, of geen enkele, kerk bij name genoemd.
  2. Van enkele gemeenten uit het Nieuwe Testament kunnen we nagaan dat ze vele honderden mensen telden. Dat valt op te maken uit de namen en situaties die genoemd worden, meerdere huisgemeenten per stad, diverse afwijkende groeperingen uit hun midden voortgekomen. Die gemeenten brachten leiders, maar ook schismatici voort, die elk voor een heel aantal volgelingen staan. Ze leverden ook tal van medewerkers voor de apostelen op. Dat geldt zeker voor de gemeenten in Korinthe, Efeze en Rome waar veel van bekend is.
  3. Het Nieuwe Testament maakt ons vooral vertrouwd met de zendingsreizen van Paulus. Maar Paulus was niet de enige rondreizende apostel of evangelist, zoals hij ook zelf schrijft: “Hebben wij niet het recht om een zuster als vrouw mee te nemen, zoals ook de andere apostelen... ?“ (1 Korinthe 9: 5) Hij heeft het over zendingsreizen. Blijkbaar maakten alle apostelen en nog vele anderen (Filippus, Barnabas, Titus enzovoorts) die. We lezen ook van groepen gelovigen die Petrus en Johannes om zich heen hadden verzameld (zie hun brieven). Je mag ervan uitgaan dat al die profeten, evangelisten, leraars en apostelen tallozen tot geloof zagen komen, net als Paulus. Ook zij hebben kerken gesticht en ook zij wierven nieuwe werkers aan.
  4. Wie zijn die onbekende Christenen en gemeenten aan wie Petrus schrijft? In Handelingen lezen we niets over kerken die hij noemt in Pontus, Bithynië en Cappadocië. Ze waren er blijkbaar wel. En aan welke – voor ons onbekende kerken – zijn de briefjes 2 en 3 Johannes gericht en die van Judas? Of 1 Johannes en de Brief van Jakobus en die aan de Hebreeën? Het meeste van wat er was, is ons onbekend, maar daarom niet onbestaand.
  5. “... Bid dat het woord van de Heer zich elders even snel verspreidt en geprezen wordt als bij u.” (2 Thessalonicenzen 3: 1, NBV, die hier correcter is dan de HBV). Dat wekt de indruk van een massieve, consistente en snelle verspreiding van het Evangelie, plus de verwachting dat het elders ook zo zal gaan. Dat is heel wat anders dan de kleine, zielige groepjes waar velen op heden van uitgaan.
  6. Er zijn enkele massale bewegingen naar het geloof geweest. Waarom spreekt de Bijbel daarover, als daar geen grond voor was? Het gebeurde in de tijd dat erover werd geschreven. Die gebeurtenissen zijn onverklaarbaar wanneer ze niet zouden slaan op vele duizenden nieuwe gelovigen per voorval. Ik noem:

* De enorme groei van de kerk in Jeruzalem. Handelingen 21: 20 spreekt van ‘myriaden’ nieuwe gelovigen, dat is: tienduizenden nieuwe gelovigen (en zeker niet, zoals het vertaald staat: ‘duizenden’). (In Handelingen 4: 4 wordt over een aantal van 5000 gelovigen gesproken, wat er ook al op wijst dat de kerk van Jeruzalem vele duizenden leden had.) *3

* Massale volksbewegingen naar het geloof in de vlakte van Saron, Antiochië (Syrië) en Antiochië in Pisidië. Daardoor kwamen duizenden mensen tot geloof en bij de kerk. (Zie de verslagen in Handelingen 8, 11 en 13).

* Hoe wil je de volgende uitspraken verklaren als er maar een klein aantal gelovigen was in de eerste eeuw (dit zijn uitspraken van de jaren 50 A.D. of net iets daarna): “In de hele wereld draagt het Evangelie vrucht, zoals ook onder u ...” (Kolossenzen 1: 6, vrij geciteerd) en: “Want van u uit heeft het Woord van de Heere luid geklonken; niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen heeft uw geloof in God zich verspreid ...” (1 Thessalonicenzen 1: 8). En in Handelingen 19: 26 lezen we: “En u ziet en hoort dat deze Paulus een grote menigte niet alleen in Efeze, maar in bijna heel Asia overtuigd heeft... “Het gaat hier om Asia Minor, het westen van Aziatisch Turkije. Die grote menigte bevond zich niet slechts in de grote stad Efeze, maar blijkbaar ook verspreid over de hele provincie. Deze uitspraak komt uit de mond van tegenstanders van de kerk, dus niet bepaald mensen die de kerk zullen ophemelen. Zo gebeurde dat al eerder rondom Jezus: “Zie, de hele wereld loopt achter Hem aan...“ (Johannes 12: 19)

Wat betekenen ‘overal’, ‘hele wereld’, ‘menigte’ en ‘veel’? Kun je die woorden gebruiken als het gaat om enkele honderden mensen op een klein oppervlak onder miljoenen inwoners en in een reuze groot wereldrijk? Zelfs al zijn dit zeer algemene termen, ze hebben ons wel iets te vertellen.

 

  1. Gegevens uit Christelijke historische bronnen
  • In het jaar 167 A.D. schreef paus Soter van Rome (167-174) dat er meer Christenen dan Joden waren (en de laagste schatting van die laatsten bedraagt 6 miljoen).
  • In een goed gedocumenteerd artikel staat in een missionaire review uit India, Dharma Deepika, dat er in het jaar 100 80.000 Christenen waren in Zuid-India (Kerala). *4
  • Irenaeus van Lyon (circa 130 – circa 202) schreef in zijn boek Tegen de Ketterijen (Adversus Haeraeses) over kerken (let op het meervoud) die reeds in Duitsland bestonden. *5 Maar dat is onbekend voor de huidige geschiedswetenschap, buiten dan dit getuigenis en een of twee andere keren dat door vroege schrijvers over kerken of zendingswerk onder de Germanen gerept wordt. Dit waren blijkbaar georganiseerde kerken (dus niet net gesticht) die in geregeld contact met de andere kerken in de wereld stonden.
  • Tertullianus schreef (eind tweede eeuw) dat het aantal Christenen in één enkele Romeinse provincie de omvang van het hele Romeinse leger te boven ging, en dat “bijna de meerderheid van de burgers van alle steden christen was geworden.” De 28 Romeinse legioenen telden samen 168.000 - 200.000 soldaten, en er waren 36 of meer provincies. Het lijkt erop dat Tertullianus over miljoenen christenen spreekt. *6
  • Bronnen van de Syrische kerk zeggen dat de handelsstad Edessa (de hoofdstad van Osrhoëne, ten oosten van Antiochië gelegen) rond het jaar 60 in meerderheid Christelijk was geworden. Dit wordt nog onderstreept door wat Tertullianus en Eusebius (324) vertellen, namelijk dat er in 110 al een grote vervolging van Christenen was in dat land. (Moderne kerkhistorici stellen het begin van de kerk aldaar op het jaar 301, met de bekering van koning Trdat III.) *7
  • Tertulianus (ong. 160 – ong. 220) schrijft in Adversum Iudaios VII,4: “De Psalmen van David zeggen: ‘Hun woorden zijn uitgegaan tot aan de uiteinden der aarde.’ In Wie anders hebben de volken der wereld geloofd, als dat niet zou zijn in de Christus die reeds gekomen is? ... Parten, Meden, Elamieten en de inwoners van Mesopotamië, Armenië, Frygië, Cappadocië en de inwoners van Pontus en Azië en Pamfilië, bewoners van Egypte en die van Afrika voorbij Cyrene, Romeinen en anderen onder hen, zelfs Joden in Jeruzalem en alle andere volken, zoals bijvoorbeeld momenteel de verschillende rassen van de Getulianen (d.i. Berbers, toevoeging AJK) en tal van gebieden van de Moren, het hele oppervlak van Spanje en de verschillende volken in Gallië, de woongebieden van de Britten – ontoegankelijk voor de Romeinen, maar onderworpen aan Christus, en die van de Sarmatianen en Daciërs (Oekraïne, Hongarije en Roemenië, toevoeging AJK) en Germanen en Skythen (Oekraïne, Rusland, toevoeging AJK) en veel verre landen en provincies en tal van eilanden die wij niet kennen en teveel om op te noemen.” *8
  • De auteur van de eerste Engelse kerkgeschiedenis, Gildas Badonicus (ong. 550 A.D.) beweert dat de kerk in zijn land begon in het jaar 37 A.D. Maar moderne kerkhistorici laten de kerk op de Britse eilanden pas twee eeuwen later beginnen. *9
  • Eusebius (ong. 300 en Hiëronymus (ong. 375) zijn ervan overtuigd dat een beschrijving die de Joodse filosoof Philo uit Alexandrië (20 v.C.-50A.D.) geeft van ‘Essenen’ feitelijk gaat over Christenen (omdat er geen grote Esseense groepen waren in Egypte en de genoemde gebruiken afwijken van die van de Essenen. Zij zijn in zijn tijd al verspreid over Egypte, ook buiten Alexandrië!) *10
  • Tientallen oude kerkvaders, van de eerste t/m de derde eeuw, vertellen van zendingsactiviteiten en de aanstelling van bisschoppen al in de eerste eeuw in Bulgarije, Oekraïne, alle delen van het huidige Turkije, Hyrcanië (nu Turkmenistan), Perzië, Mesopotamië, India, Arabië, Ethiopië, Libië, Tunesië, Spanje, Portugal, Frankrijk (Marseille!), België, Duitsland (Mainz!), Groot-Brittannië e.a. gebieden. Onder hen: Papias, Clemens van Rome, Origenes, Eusebius, Tertullianus, Dorotheüs, Hippolytus, Lactantius *11, Ammonius Saccas e.a. Allemaal stemmen uit het vroege begin van de kerk.

 

  1. Historische documenten van buiten de kerk

In de eerste plaats wijs ik op een brief uit 112 A.D. van Plinius de Jongere, de Romeinse consul van Bithynië (N.W. Turkije, het Aziatische deel) aan keizer Trajanus. Ik citeer uit hoofdstuk 2.3.7 van Jesus Multinational: “... dat het christelijke geloof zich uitbreidde als een epidemie, van stad naar stad, van dorp naar dorp, van gehucht naar gehucht en zelfs over het hele platteland.” (Tot zover Plinius). En dan verder: “Dat wekt de indruk dat er maar weinig dorpen zonder Christenen waren. Er moeten daar tientallen gemeenten zijn geweest! Gold dat ook voor andere streken? Bithynië telde in die tijd minstens twaalf steden (waaronder Nicea), en honderden dorpen. Deze brief bewijst nóg iets. Het evangelie verbreidde zich toen al zonder de tussenschakel van het Jodendom, want in de dorpen woonden geen of weinig Joden.” Hoewel uit dit schrijven van een vijand van de kerk blijkt hoe groot en invloedrijk ze was (de steden en talloze dorpen in Bithynië hadden kerken, dus waarschijnlijk tientallen kerken alles tezamen!), vind je op de moderne kaarten van de verspreiding van het Christendom in de eerste eeuw, GEEN ENKELE kerk aldaar vermeld.

Er waren veel grote christenvervolgingen, o.a onder de keizers Claudius (in 50 A.D.) en Nero (64 A.D.). Een onbeduidend groepje maakt geen indruk. Suetonius schrijft begin tweede eeuw over die eerste vervolging, die vooral tegen Joden gericht was, omdat zij “op aanstichten van Chrestus voortdurend onlusten veroorzaakten.” *12 In het begin werd het Christelijke geloof beschouwd als een Joodse sekte. Nu kennen we niemand met de naam Chrestus. Bovendien is de uitspraak in het Grieks van die naam precies gelijk aan ‘Christus’, en die kennen we wel, en we kunnen ons conflicten omwille van Hem in de Joodse gemeenschap goed voorstellen. Duizenden Joden werden toen uit Rome verdreven, waarvan we ook lezen in Handelingen 18:2. Dit speelde zich af nog voor het eerste bezoek van Paulus aan Rome. Daarna was er een grote vervolging onder Nero in 64. Honderden (meer dan 800 mensen tegelijk!) werden gedrenkt in pek als fakkels aangestoken in de paleistuin. Mensen laten zich niet zo gemakkelijk vangen. Dat veronderstelt dat de kerk in Rome toen al vele duizenden leden telde!

Ook uit de dagen na Nero zijn er talloze verslagen van de vervolging van de kerk. Bij elk verslag moet je bedenken: van kleine clubjes trekken geen aandacht. De staat wist dat de kerk groot was, snel groeide en haar heidense opvattingen ernstig bedreigde. Daarom kwam ze in actie, ook al waren Christenen vreedzame mensen.

Michael Green geeft in zijn boek ‘Evangelieverkondiging in de eerste eeuwen’ een uitgebreide beschouwing van vondsten in Pompeï en Herculaneum (in het jaar 79 A.D. verwoest door de uitbarsting van de Vesuvius) die wijzen op de aanwezigheid van Christenen in die plaatsen. *13 Dat is overigens niet vreemd. In Handelingen 28: 13,14 lezen we van Christenen in het nabijgelegen Puteoli (nu: Pozzuoli, dichtbij Napels) in het jaar 55 A.D.

 

  1. De waarde van oude kerkelijke getuigenissen

Sommige kerkvaders leefden nog in de tijd van de apostelen, zoals Clemens van Rome (schreef in 95 A.D.) en Papias (geschriften van 95 – 120). Anderen leefden vlak na die periode, zoals Ireneüs van Lyon (ong. 130 – ong. 202 A.D.). Weer anderen beroepen zich op eerdere bronnen (die wij niet meer kennen) en geven zo nauwkeurig mogelijk door wat ze hebben gehoord of gelezen.

Als je geen andere getuigen hebt, dan de eerlijke, maar hier en daar falende getuigen (naar moderne maatstaven) die de kerk de eeuwen door heeft aangedragen, moet je zelf dan maar iets bij elkaar verzinnen over de situatie van de kerk in de begintijd? Dat is heel verregaand. Dat wordt nergens in de historische wetenschappen gedaan – alleen met de kerk. En als die getuigen van het eerste uur er bovendien blijk van geven kritische, verstandige en eigenwijze mensen te zijn, wat zegt dat dan over hun betrouwbaarheid?

De Jansenisten hadden hun buik vol van allerlei bijgelovige verhalen over heiligen. Ze ontkenden grotendeels de waarde van de zeer oude marteriologiën (beschrijvingen van de levens van martelaren), de (niet altijd correcte) lijsten met opsommingen van alle bisschoppen van een stad en de getuigenissen van het eerste uur. Niet slechts een aantal fantasierijke legenden, maar ook de daaraan ten grondslag liggende feiten werden zo weggegooid. De Jansenisten vormden een intellectuele voorhoede – en ze kregen met hun kritiek veel gevolg in het sterk geseculariseerde Frankrijk van na de Franse revolutie.

Toen kwam Von Harnack. Hij maakte een diepe indruk. Hij vertegenwoordigde de moderne geschiedkunde, die leert dat wat niet te bewijzen valt, geen rol mag spelen bij de reconstructie van de oudheid. Die stelling wordt weinig consequent gehandhaafd, maar sloeg vooral onder kerkhistorici aan. Von Harnack gold voor velen al snel als een baken. Dat veroorzaakte wel een aardverschuiving. Tot 1900 meenden de meeste kerkhistorici dat de vroege kerk groot en wijdverbreid was. Na 1900 veranderde dit (bijna als een ijzeren wet) in het tegendeel.

Het kind was met het badwater weggegooid! De meest voor de hand liggende getuigen werden monddood gemaakt. Er kwam een anti-kerkelijke en zelfs antichristelijke stroming op in de geschiedwetenschap. De vroege kerk was klein, moest klein zijn, om vooral niet de indruk te wekken dat ze gedreven werd door een goddelijke kracht. En zo werd de moderne kerkgeschiedenis een vorm van... boerenbedrog.

 

  1. Logische argumenten

Waar komen al die Christenen in de tweede eeuw (100 – 200 A.D.) vandaan? Algemeen wordt aangenomen dat de kerk in plaatsen als Rome, Alexandrië, Antiochië (in Syrië), Carthago en Lyon halverwege die eeuw al groot was. Maar wie zijn dan de grote leiders, die tot stand brachten wat Jezus noch de apostelen konden? Die waren er niet – althans niet van de statuur van Petrus, Paulus, Johannes en de andere apostelen. Bovendien stikte het in de tweede eeuw van de min of meer Christelijke sekten. De bestrijding daarvan vrat tijd en energie van de kerken. In verschillende geschriften tegen ketters (Irenaeus, Julius Africanus, Hippolytus, Origenes, Tertullianus, Lactantius, om er maar enkelen van het eerste uur te noemen) vinden we 80 of meer verschillende georganiseerde sekten, elk met een kerkverband met meerdere of zelfs vele kerken, bisschoppen, ambtsdragers, een structuur en boeken. De enige logische verklaring voor een grote kerk in de tweede eeuw is, dat ze de opvolgster was van een grote kerk in de eerste eeuw.

Veel sekten, dus veel afsplitsingen, vormen samen een enorme schare. Van kleine groepjes splitsen zich alleen maar kleine groepjes af. Sommige sekten waren in bepaalde landen groter dan de reguliere kerk (Montanisten, Marcionieten, Manicheërs), maar uiteindelijk bleef de orthodoxe Christelijke kerk als rots in de branding over. Door de eeuwen heen was de hoofdstroom van het Christendom groter en imposanter dan al haar afwijkingen. Ze was groot, maar niet machtig, omdat de politiek zich tegen haar keerde. Maar zelfs die sekten hebben een boodschap voor ons over de grootte van de vroege kerk. Ze bevonden zich alle in ‘de sfeer’ van het Christelijke geloof, ergens op het randje van het Christendom.

In de tijd van Jezus en zijn apostelen hadden honderdduizenden niet-Joden zich aangesloten bij synagogen. Velen waren Jodengenoot (proseliet) geworden, dat betekent dat ze alle Joodse wetten navolgden. Anderen sympathiseerden met het Joodse geloof, de God-zoekers, die als gasten in de synagogen kwamen, maar die eigenlijk niet meetelden in Joodse ogen. Het Jodendom was in die tijd erg missionair. Sprak Jezus niet over Farizeeën, die grote reizen maakten om mensen te bekeren? (Zie Mattheüs 23:15).

Het Jodendom breidde zich toen nog snel uit door missionaire activiteiten. Zo kwam bijvoorbeeld Helena, de koningin van het rijk Adiabene (Noord-Irak) in 30 A.D. tot het geloof in de God van Israël. Ze vestigde zich toen met een grote schare andere proselieten in Jeruzalem. Een eeuw later gingen talloze Berbers in het huidige Algerije en Marokko over tot het Joodse geloof. Het geloof van de Romeinen en de Grieken verloor haar kracht. Dat bracht mensen ertoe om te zoeken naar iets anders. Die behoefte werd verder aangewakkerd doordat al eeuwenlang leidende filosofen (die waren toentertijd heel populair) hun afkeer van het veelgodendom toonden. Ze zeiden dat er één ware, onzichtbare God is. Dat bracht tallozen tot de stap naar het Jodendom – en naar het Christelijke geloof dat daaraan zeer verwant is, maar veel wijder openstond voor ‘heidenen’.

De Griekse en Romeinse religies werden door de eigen filosofen belachelijk gemaakt, o.a. door de invloedrijke Neo-Platonisten. Ook opvallend is de invloed die de Joodse filosoof Philo uit Alexandrië had onder heidenen, vooral uit de hogere kringen. Maar waar moesten hun volgelingen dan heen? De enige oude, gevestigde monotheïstische groepering, getolereerd door de staat, was het Jodendom. Dit vergemakkelijkte een overstap naar de synagoge. Maar de niet-Joodse leden bleven in zekere zin buitenbeentjes. Pas in de kerk telden ze voor ‘vol’ mee.

We zien in Handelingen hoe juist de proselieten en ‘godvrezenden’ uit de synagogen voor Christus werden gewonnen. Dat was geen beweging van enkelingen. In dit verband kom je vaak het woord ‘velen’ tegen. Deze mensen, getolereerd maar toch gediscrimineerd in de synagoge, vonden in het Christelijke geloof hetgeen ze zochten. Zij werden op hun beurt evangelisten onder hun volksgenoten. Joden zou dat waarschijnlijk niet gelukt zijn. Daar hadden velen een afkeer van. (Antisemitisme bestond toen ook!) De tijd was rijp voor de evangelieverkondiging, wat Paulus aanduidt met: ‘de volheid der tijden’ (Galaten 4:4; Efeze 1:10). Ook dit wijst op een grote eerste-eeuwse kerk.

Er is vanaf het eind van de eerste eeuw een uitgebreide Christelijke lectuur. Brieven en boeken werden van de ene gemeente naar de andere gezonden en met zorg bewaard. Dat duidt op een grote gemeenschap. Ook de bisschopslijsten van steden in het Midden-Oosten (Parthische Rijk) en in het Romeinse Rijk gaan vaak terug tot het midden en soms zelfs het begin van de eerste eeuw. Is er een bisschop, dan ook een gemeente. Veel van die bisdommen worden niet meegerekend in de opsommingen van de huidige kerkhistorici, zoals Carthago, Milaan, Adiabene (in Noord-Irak), Byzantium, Patras (Griekenland). Die lijst valt nog enorm aan te vullen. Ook dat duidt op een aanzienlijke grootte en wijde verspreiding van de vroege kerk.

Een nieuwe beweging is in haar beginperiode het sterkst, het meest uitgesproken en gedurfd, en door haar jeugdigheid extra aantrekkelijk. Pas later begint de kritiek op haar gestalte aan te nemen. De logica vereist, dat de vroege kerk beter groeide dan de kerk in latere tijden, toen de beweging wat verstarde en de kritiek aanzwol. In de tweede helft van de eerste eeuw keerde het wereldwijde Jodendom zich vierkant tegen de Christenen (tot die tijd kwamen veel Joden tot geloof). Toen kwamen er ook maatregelen van de Romeinse overheid tegen de Joden (bijvoorbeeld een verbod op de besnijdenis), waardoor de Christenen, die voor een Joodse sub-stroming werden aangezien door de overheid, deze bescherming verloren.

Hoe kom je tot historische inzichten? Ten eerste door onbetwistbare bronnen, liefst van meerdere kanten, onderling onafhankelijk. Heb je die niet? Dan moet je met onzekere getuigen werken. Maar dan moet je wel goede redenen hebben om hun getuigenis te betwijfelen. Je kunt niet alles zomaar ‘weggooien’. Bij de huidige kijk op de vroege kerkgeschiedenis zien we dat bronnen zonder afdoende reden worden verwaarloosd of tot minder betrouwbaar worden bestempeld. De reconstructie van de situatie van de vroege kerk wordt zodoende afhankelijk van de twijfelachtige vooronderstellingen van historici. Twijfelachtig – omdat er nu eenmaal wel getuigen zijn.

Ooit ontstond er een diepgaand wantrouwen tegen de fantasierijke legenden over allerlei ‘heiligen’ van het eerste uur. Maar die legenden ontbreken in de oudste marterologieën. In plaats van alles als ‘legende’ te verwerpen, ware het beter de oudste elementen hiervan van de latere heiligenlegenden te scheiden. Mijn stellige indruk is dat we kostbare informatie op deze manier zijn kwijt geraakt.

 

  1. Conclusie

Dit alles verdient een verdere uitwerking en feitelijk heb ik nog veel meer hierover te zeggen. Maar een artikel mag niet te lang worden. Hiermee geef ik je voldoende redenen om te twijfelen aan enkele algemeen aanvaarde standpunten over de vroege kerk.  

Hoewel we slechts betrekkelijk weinig weten van de kerk van het eerste begin, zijn er voldoende redenen om een ‘nieuwe’ reconstructie te maken van haar omvang en kracht, om deze zo waarheidsgetrouw mogelijk te doen zijn.

Tal van uitspraken, documenten, feiten en argumenten ondersteunen mijn stelling: DE VROEGE KERK WAS REUZE GROOT EN ZEER WIJD VERBREID. Het is wezenlijk van belang om dat te onderkennen, uit wetenschappelijk oogpunt, maar ook vanwege onze kijk op God, de Bijbel en de heilsgeschiedenis.

Irritant voor wetenschappers is het als een buitenstaander zich in de discussie mengt. Ik vrees dan ook door weinigen van ‘het vak’ gelezen en begrepen te worden – ook al ben ik meer dan 55 jaar met deze materie bezig. Maar toch schreeuw ik het van de daken. De Kerk is van God en haar kracht komt van Boven. De kerkgeschiedenis laat dat ook zien, maar dat wordt weggemoffeld. Spreken over God is voor velen per definitie onwetenschappelijk, hem ontkennen echter niet. En dat vind ik een intrinsiek onwetenschappelijke houding.

Feiten verdoezelen en getuigen wegmoffelen – hoort bij de kerkgeschiedenis sinds ruim een eeuw. Maar wie heeft er rondgelopen in de eerste, tweede of derde eeuw? Luister dan naar de getuigen uit die tijd! De Bijbel als onbetrouwbaar terzijde schuiven – is dat wetenschappelijk? Zo schep je een humanistisch sprookje. Zelfs orthodoxe Christelijke wetenschappers neigen ertoe om die moderne reconstructies van de vroege kerk als correct te beschouwen. Zijn ze bang voor ‘onwetenschappelijk’ te worden versleten?  

De eerste eeuw bracht wonderen voor ons. Om te beginnen de geboorte van de Redder, toen zijn kruis en opstanding, en ook: de tewaterlating van de Reddingsark, de Kerk, met Pinksteren. Die Kerk was al snel groot, wijdverbreid en invloedrijk. Wie zijn eigen verleden verdoezelt, verduistert zijn eigen toekomst! Die Kerk is ook in onze dagen een overwinnende Kerk (die ongeloof en zonde overwint) zolang ze gekoppeld blijft aan de Redder Zelf.

 

  1. Noten

*1 De Jansenisten zijn degenen die bisschop Jansenius van Ieper (ongeveer 1600) volgden in hun afkeer van de leerdwang vanuit Rome. Ze vormden een groep ontevredenen (men zegt: crypto-protestanten) in de Rooms Katholieke Kerk. De bekendste Jansenist is Blaise Pascal (ong. 1650). Onder invloed van hun leer is de Oud Katholieke Kerk ontstaan. Door verwantschap met de protestanten hadden ze – ook op het terrein van de opvattingen over kerkgeschiedenis – veel invloed onder protestanten.

*2 A.J. Krol, Jesus Multinational, Amsterdam, Ark Media, 2010

*3 Eusebius van Caesarea geeft een aanwijzing voor de grootte van de kerk in Jeruzalem aan het eind van de eerste eeuw of in het begin van de tweede in zijn Historia Ecclesiastica. In III,35 schrijft hij over Justus, de derde bisschop van de kerk in Jeruzalem: “He was one of the many thousands of the circumcision who at that time believed in Christ.” Dat was op het eind van het bewind van keizer Domitianus (81-96 A.D.) of aan het begin van het bewind van Trajanus (98 – 117 A.D.).

*4 Dharma Deepika, nr. 26, najaar 2007, p. 64-70, Todd M. Johnson, Sarah E. Tieszen en Thomas W. Higgins: ‘Counting Christians in India’; Eusebius schrijft in Historia Ecclesiastica V,10 over Pantaenus (circa 120 – circa 200) uit Alexandrië, die een zendingsreis naar India maakte en in Kerala duizenden Christenen ontmoette, die een Aramees Evangelie bezaten (dat van Mattheüs?). Deze reis maakte hij voor het jaar 180 A.D.

*5 Uit Adversum Haeraeses I,10 over de geloofsleer, die overal hetzelfde is: “For the Churches which have been planted in Germany do not believe or hand down anything different, nor do those in Spain, nor those in Gaul, nor those in the East, nor those in Egypt, nor those in Libya, nor those which have been established in the central regions of the world.”

*6 Tertullianus, Apologeticum 37,5 een smeekbede gericht aan de magistraten van Carthago en meer in het algemeen aan de bestuurders van het gehele Romeinse Rijk. Deze uitspraak wordt niet door iedereen als betrouwbaar beschouwd, maar in hetzelfde hoofdstuk, paragraaf 8 is Tertullianus zelfs nog stelliger: “... nearly all the citizens you have in nearly all the cities are Christian.”

*7 Eusebius, Historia Ecclesiastica I,13; zie ookThe Chronicla of Edessa, www.tertullian.org/fathers/chronicle_of_edessa.htm

*8 Zo zijn er tal van getuigenissen van de vroege kerkvaders. Lactantius (240 – 320 A.D.) schreef bijvoorbeeld in De Mortibus Persecutorum (Over de dood van de vervolgden) in hoofdstuk II, dat Nero woest werd bij het zien van de enorme menigte die de afgoden weigerde te vereren, omdat ze Christenen waren geworden. Die menigte woonde niet slechts in Rome, maar ‘in elke andere plaats.’ Dat bracht hem tot zijn grote vervolging in 64 A.D. En hoofdstuk III voegt daaraan toe - nog steeds ten tijde van Nero: “dat er zelfs geen verre uithoek meer bestond op aarde waar de goddelijke religie niet was doorgedrongen, hoe barbaars de gewoonten daar ook waren...”

Origenes (185 -254) schrijft in Contra Celsum, I,27 over de geschiedenis van de kerk in de eerste eeuw: “... En terwijl ze sterker werd dan al haar tegenstanders, maakte ze zich meester van geheel Griekenland en van een aanzienlijk deel van de barbaarse landen, en bracht ontelbare aantallen zielen in Gods religie. En hoewel onder de menigte van bekeerlingen tot het Christendom...”

Tertullianus schrijft in hoodstuk 5 van Ad Scapulam aan de Romeinse proconsul van Afrika, Scapula, dat hij – als de hele menigte van alle gelovigen voor hem zou verschijnen, niet genoeg soldaten en zwaarden zou hebben om hen allen te doden. Hij zou Carthago moeten decimeren.

En tot slot voer ik Appolinarius van Laodicea ( 310 – 390) op. Hoewel een late stem, toch iemand die zijn werken baseert op eerdere bronnen. Hij schrijft in paragraaf 52 van ‘De Incarnatione Verbi Dei”: “And who among men has ever been able to penetrate even to Scythians and Ethiopians, or Parthians or Armenians or those who are said to live beyond Hyrcania, or even the Egyptians and Chaldeans, people who give heed to magic and are more than naturally enslaved by the fear of demons and savage in their habits, and to preach at all about virtue and self-control and against the worshipping of idols, as has the Lord of all, the Power of God, our Lord Jesus Christ?”

*9 Gildas Badonicus, De Excidio et Conquestu Brittananiae, II,8,25

*10 Philo, 7e deel van De Vita Contemplativa, paragraaf 11

*11 Zie bijv. Lactantius, in De Mortibus Persecutorum hoofdstuk III over de tijd na de regering van keizer Domitianus (81-96 AD): “And in the times that followed, while many well-deserving princes guided the helm of the Roman empire, the Church suffered no violent assaults from her enemies, and she extended her hands unto the east and unto the west, insomuch that now there was not any the most remote corner of the earth to which the divine religion had not penetrated, or any nation of manners so barbarous that did not, by being converted to the worship of God, become mild and gentle.”

*12 Gaius Suetonius Tranquilles, Life of the Twelf Caesars, V,25,4

*13 Michael Green, ‘Evangelie-verkondiging in de eerste eeuwen’, Goes, 1979, pag. 246-251. Dit is een vertaling van ‘Evangelism in the Early Church’, dat uitkwam in Londen, 1970. Deze auteur, die begin 2019 is overleden, was een vooraanstaand evangelisch theoloog. Dit boek behoort tot het beste wat er onder protestanten over de vroege kerk is verschenen.

 

Abram J. Krol

P.S.Omdat dit artikel ook in het Engels vertaald wordt, laat ik enkele uitspraken in het Engels onvertaald.